Economie
27 juli 2015 | door: Sam van Noort, Junior docent Onderzoeksmethodologie, UvA

De claim dat TTIP zal leiden tot meer banengroei, is misleidend

Het idee dat een vrijere handel geïnitieerd door TTIP zowel leidt tot productiviteitsstijging als tot de creatie van nieuwe banen, is met elkaar in tegenspraak.

"De claim dat TTIP zal leiden tot en meer productiviteit, en meer banengroei, is misleidend."

Het Trans-Atlantisch Vrijhandels- en Investeringsverdrag (TTIP) wordt door voorstanders op nationaal-, Europees- en internationaal niveau verdedigd op basis van twee veronderstelde resultaten: productiviteitsstijging en banengroei. Oftewel, het argument is dat het verlagen van handelstarieven tegelijkertijd zal leiden tot meer welvaart per arbeidsuur en de creatie van nieuwe banen. Echter het idee dat een vrijere handel zowel leidt tot productiviteitsstijging, als tot de creatie van nieuwe banen, is met elkaar in tegenspraak. 

 

In het bekende Ricardiaanse idee van een comparatief voordeel, wordt met vrijere handel een welvaart (i.e. productiviteit) stijging behaald door specialisatie. Wanneer de markt groter wordt in termen van het aantal producenten en consumenten, is het mogelijk om efficiënter te produceren omdat landen, of sectoren binnen landen, zich (meer) kunnen toeleggen op datgene waar zij relatief het beste in zijn. Landen geven dus export in bepaalde sectoren op, om deze vervolgens te importeren met de grotere waarde die wordt toegevoegd in de sectoren waar zij relatief het meest productief zijn. In dit perspectief genereren handelsverdragen dus helemaal geen banen, maar verschuiven zij banen naar de plekken op de wereld waar deze het meest productief zijn. Omdat de opportuniteitskosten van specialisatie (ten opzichte van meer autarkisch beleid) voor iedere speler het laagst zijn, profiteert, in ieder geval in theorie, ieder land hiervan. Dit geldt ook wanneer sommige spelers alle producten efficiënter zouden kunnen produceren dan anderen.

 

Tegenover het Ricardiaanse denken staat het zogenaamd mercantilistische wereldbeeld, waarbij een overheid import zo veel mogelijk beperkt, en export zo veel mogelijk stimuleert. Hierbij is het mogelijk om extra banen te creëren in één gebied, als deze dan ten koste gaan van banen in een ander gebied. In plaats van dat landen een relatief voordeel (ten opzichte van de situatie met minder vrije handel) proberen te halen, proberen zij een absoluut voordeel te behalen door de eigen marktpenetratie internationaal zo veel mogelijk uit te breiden, en de binnenlandse marktpenetratie door buitenlandse bedrijven zo veel mogelijk in te perken. Dus in plaats van de gemiddelde welvaart over landen te vergroten door efficiëntie-impulsen, probeert men andere landen te benadelen door internationale specialisatie tegen te werken. Het feit dat productiecapaciteit in ieder land gelimiteerd is (door mankracht en tijd) maakt dat er keuzes in een context van schaarste gemaakt moeten worden. Omdat men niet de meest geschikte producent in alles tegelijkertijd kan zijn, leidt dit ertoe dat deze optie per definitie suboptimaal gebruik maakt van de internationale productiemogelijkheden die er beschikbaar zijn.

 

Het zou wel zo kunnen zijn dat de welvaartsstijging gegenereerd door verdere specialisatie leidt tot extra banen, doordat dit geld geïnvesteerd wordt in nieuwe economische activiteit (de zogenaamde “dynamische” voordelen van vrijhandel). Het is echter maar helemaal de vraag of dit effect zich in de toekomst zal gaan ontwikkelen. Dit is dan ook de reden dat de studie die namens de Europese Commissie door “The Centre for Economic Policy Research” is gedaan en door veel voorstanders van het TTIP wordt aangehaald, helemaal niet rept over een mogelijke toename van banen in het algemeen.

 

Verdere specialisatie zou ook juist kunnen leiden tot een situatie waar evenveel, of meer, geproduceerd kan worden met minder mensen. Daarbij zal niet elke euro verdiend met verdere specialisatie per definitie geïnvesteerd worden in economische activiteiten die meer banen zullen opleveren in de toekomst.

 

Daarnaast zijn er altijd - zoals vrijwel ieder economisch beleid verdelingsvraagstukken opwerpt - winnaars en verliezers van verdere marktliberalisatie. Mensen die hun baan verliezen omdat het bedrijf waarbij zij werkzaam zijn niet bestand blijkt tegen de vergrote competitie, zullen vroeg of laat voor een deel gecompenseerd moeten worden met de verhoogde (gemiddelde) welvaart als een resultaat van TTIP, wil het idee van een liberaal vrijhandelssysteem legitiem blijven over de tijd heen.

 

Politici, beleids- en opiniemakers doen er daarom goed aan te erkennen dat het onduidelijk is welk effect  het liberaal  (i.e. Ricardiaans) TTIP - ongeacht welke handelsbarrières tot op welke hoogte worden geëlimineerd in het uiteindelijke besluit -  zal hebben op het totaal aantal toekomstige banen in de EU en de VS. Daarnaast vereist een eerlijke discussie over de te verwachten kosten en baten van TTIP dat men eerlijk is over het feit dat er winnaars en verliezers zullen ontstaan als resultaat van de versterkte concurrentie. Het is daarom nog steeds een open vraag of de politieke en sociale kosten die dit – en de inperking van beleidsautonomie op nationaal en Europees niveau – met zich meebrengt opweegt tegen de mogelijke positieve effecten van een nieuw vrijhandelsverdrag. 

Deel

met uw netwerk:
Opiniestukken van: Sam van Noort, Junior docent Onderzoeksmethodologie, UvA
De claim dat TTIP zal leiden tot meer banengroei, is misleidend - 27 juli 2015



Meer opiniestukken:

Bestel online:

Zo wordt u opiniemaker

In dit boek leert u in tien stappen denken en schrijven als een journalist

 

Alleen nog verkrijgbaar via bol.com


Schrijftip van de week

Week 50
Practice what you preach
> Meer