Wetenschap
13 september 2015 | door: Frank Boerhave, Internationaal Hulpverlener (2001-2013)

De onmacht van ontwikkelings-samenwerking

De Nederlandse ontwikkelingsorganisaties leveren uitstekend werk, aldus een rapport van NWO/WOTRO. De vraag is of er voldoende concrete resultaten zijn om die goede beoordeling te rechtvaardigen.

"Dit gebrek aan doelgerichte daadkracht komt nauwelijks aan het licht"

De ontwikkelingssamenwerking staat in toenemende mate ter discussie en dat is terecht. Hulporganisaties moeten veel meer inhoudelijke verantwoording afleggen, vooral om aan te tonen dat ontwikkelingshulp niet zinloos is. En daarvoor is de vastlegging van concrete resultaten cruciaal.

 

Het NWO/WOTRO-rapport (de zogenaamde MFSII-rapporten, zie ook dit bericht erover in de Volkskrant en dit item van NWO) heeft op dit terrein een aantal zwakheden. De voornaamste is de onmacht van de ontwikkelingssamenwerking om juist tot die resultaten te komen. Het rapport maakt een reeks voorbehouden over de kwaliteit van de gebruikte gegevens. Zo is het al snel duidelijk dat er ‘weinig ruimte is voor een statistieke analyse’ en dat de ‘evaluatie geen licht kan laten schijnen op het efficiency-vraagstuk’, terwijl het rapport efficiency noemt als één van de terreinen waarop de ontwikkelingsorganisaties goed scoren.

 

Het grootste vraagteken is evenwel de betrouwbaarheid van de gebruikte resultaten uit de deelnemende landen. De resultaten van het evaluatierapport lijken te zijn gemeten aan de hand van de doelstellingen van het evaluatieonderzoek en niet op basis van de doelstellingen van de geëvalueerde projecten. In werkelijkheid is er niets of niemand die hulporganisaties dwingt om resultaten eerlijk en objectief te meten.

 

Het doel van een ontwikkelingsorganisatie is om een slechte situatie van een hulpbehoefende –in jargon: beneficiary- te veranderen, bijvoorbeeld door middel van toegang tot onderwijs, gezondheidszorg of economische kansen. In werkelijkheid dragen de organisaties evenwel geen wezenlijke verantwoording af aan deze groep, al willen ze dat wel graag. Die verantwoording leggen ze af aan de geldschieter, vaak een donorland zoals Nederland. Maar de werkelijkheid is weerspannig.

 

Ambtenaren op, zeg, het ministerie van ontwikkelingssamenwerking leggen verantwoording af aan de politiek en zijn daardoor in de praktijk vooral geïnteresseerd in het oordeel van bijvoorbeeld de Tweede kamer. De belangen van de politiek zijn heel anders dan die van beneficiaries. Gevoelige zaken als het politieke rumoer in 2010 rond de Nederlandse steun die via ICCO bij Electronic Intifada in de Palestijnse Gebieden terecht kwam, houden een ambtenaar meer bezig dan het aantal mensen dat op diezelfde plek toegang heeft tot gezondheidszorg.

 

In de praktijk is er maar één moment waarop ambtenaren echt kritisch kijken naar hulporganisaties en wel als ze moet besluiten welke budgetten naar welke organisaties gaan. Inkomsten zijn voor ontwikkelingsorganisaties van levensbelang en daar ligt vaak meer het zwaartepunt dan het afleggen van verantwoording. Daardoor krijgt het behalen van concrete resultaten binnen hulporganisaties niet de aandacht die je zou verwachten.

 

Dit gebrek aan doelgerichte daadkracht komt nauwelijks aan het licht, vooral ook omdat de hele keten van voorstel, planning, uitvoering, rapportage, monitoring en evaluatie bij de ontwikkelingsorganisatie ligt. De externe monitoring die er wel is, wordt meestal ingehuurd door de organisatie zelf. De geldschieter dwingt onafhankelijke evaluatie niet of nauwelijks af.

 

In werkelijkheid krijgt –of neemt- een hulpverlener veelal dermate weinig tijd voor het opstellen van een rapport, dat er amper tijd is om voldoende informatie te verzamelen om degelijk te rapporteren. Resultaten worden sowieso slecht gemeten en kunnen de rapportage dus ook niet onderbouwen. Door het ontbreken van extern toezicht kan de hulpverlener dit gebrek aan resultaten verbloemen, bijvoorbeeld door met mooi taalgebruik  een negatief resultaat te beschrijven als een potentiele kans. Of het wordt gewoon weg gelaten. Rapportages leveren daardoor vaak een vertekend beeld op. In feite kunnen we dus nauwelijks vaststellen of het leven van een benificiairy verandert.

 

Mensen op hoofdkantoren worstelen vaak met deze onvolledige rapportages uit het veld. Zij zitten op grote afstand en moeten zonder zicht op de werkelijkheid een totaalrapportage volledig maken. Zo komt het voor dat verschillende projecten verschillende manieren gebruiken om aantallen bereikte beneficiaries vast te stellen: reken je alleen de direct betrokkenen van een project? Of ook hun gezinnen? Of de hele gemeenschap? Of de oplage van een nieuwsbrief? Het leidt tot rapportages van twijfelachtige kwaliteit die de werkelijke situatie van groepen beneficiaries slecht weergeeft. Als er al feedback van geldschieters komt, bereikt dit zelden het veld. Zelf, heb ik vrijwel nooit meegemaakt dat inhoudelijke feedback van donoren tot maatregelen of verbeteringen leidde.

 

Monitoring en evaluatie zijn vaak ondergeschoven kindjes. Niet op papier, wel in werkelijkheid. Dergelijke afdelingen vormen bij veel organisaties aparte eilandjes, vaak bemand door mensen met weinig relevante ervaring en grote afstand tot de werkelijkheid in het veld en die vooral theoretische instrumenten hanteren. Ook dat maakt het lastig om kritisch naar een project te kijken. 

 

Het verhaal van een uiteindelijk rapport of jaarverslag is daardoor vaak een halfslachtige en vervormde versie van de werkelijke situatie. In de praktijk worden de uitkomsten van projectactiviteiten niet of nauwelijks gemeten. Het is daardoor onmogelijk om in de verslaglegging vast te stellen dat er concrete resultaten worden behaald, zelfs als die in werkelijkheid wél worden behaald.

 

Het is onzinnig om te zeggen dat er niets goeds met ontwikkelingsgeld gebeurt, want er zijn genoeg daadkrachtige hulpverleners die erin slagen om het leven van mensen in moeilijke omstandigheden te verbeteren. Maar zolang organisaties niet in staat zijn dat soort concrete resultaten goed vast te leggen, is het lastig om de succesverhalen te onderscheiden van de geldverslindende mislukkingen, die vaak jaren kunnen doorgaan omdat niemand kritisch naar de resultaten kijkt.

 

Noot van de redactie: Lees ook de inzending van Hans Sluijter over dit rapport: Grootschalige evaluatie ontwikkelingshulp beweert zonder te bewijzen

Deel

met uw netwerk:
Opiniestukken van: Frank Boerhave, Internationaal Hulpverlener (2001-2013)
De onmacht van ontwikkelings-samenwerking - 13 september 2015



Meer opiniestukken:

Bestel online:

Zo wordt u opiniemaker

In dit boek leert u in tien stappen denken en schrijven als een journalist

 

Alleen nog verkrijgbaar via bol.com


Schrijftip van de week

Week 46
Een zuiver debat bestaat niet
> Meer