Generaties
27 januari 2016 | door: Lore Vonck

Commercialisering van de residentiële ouderenzorg

Commerciële initiatiefnemers investeren niet uit sociale bewogenheid. Commerciële groepen en hun aandeelhouders willen rendement. En dan is de besparingslogica nooit veraf.

"Zorg is een onvoorwaardelijk recht, geen koopwaar."

Maart 2015: spontane acties breken uit in de rusthuizen van multinational ORPEA, die in België 58 rusthuizen beheert. Werknemers kunnen de werkdruk niet meer aan en eisen betere werkvoorwaarden. ORPEA weigert federale subsidies te gebruiken om meer jobs te kunnen invullen omdat ze het geld zouden moeten voorschieten; dit tegelijkertijd met een winsttoename van 20% voor de aandelen in één jaar tijd. De werknemers zijn duidelijk: commercialisering van de zorg leidt tot slechtere werkcondities en minder toegankelijke zorg die aan kwaliteit inboet. Er is nood aan een goed uitgebouwde publieke zorg waar de mensen op de werkvloer en de gebruikers de controle hebben, niet de aandeelhouder van de multinationals. Maar wat is hiervan aan? Is commercialisering in de residentiële ouderenzorg een goede zaak die meer keuzevrijheid biedt of bestaat er gevaar voor verlies aan kwaliteit en professionaliteit? 

 

Commercialisering van de rusthuizen en woonzorgcentra

Momenteel wordt het merendeel van de Vlaamse rusthuizen en woon- en zorgcentra, welke steeds dichter in elkaar groeien, nog beheerd door lokale besturen en vzw’s. Maar het ziet er naar uit dat dat in de nabije toekomst weleens zou kunnen veranderen. De investeringen vanuit de openbare sector nemen af. En grote commerciële spelers staan in drommen te trappelen om de leemtes in te vullen. Dat hoeft niemand te verwonderen: de aankomende vergrijzingsgolf schept immers beloftevolle verwachtingen voor privé-investeerders. Ze kunnen zich haast geen veiliger belegging indenken. Er bestaat amper twijfel over dat hun bedden vol geraken, denken we maar aan het trauma van Achterhuis: het aanbod creëert de vraag. De Franse beursgenoteerde groep Medica, die in juli vorig jaar ‘Senior Living Group’ – de grootste privé-uitbater van rusthuizen in België – opkocht, windt er alvast geen doekjes om: de demografie in België evolueert ‘gunstig’ en de tussenkomst van de Belgische sociale zekerheid in de prijs, maakt van België een financieel ‘veilige’ markt, stipte het beursbedrijf aan (Vanbrussel, 2013). Groei en rendement zijn dus verzekerd. Voor sommigen is dit ethisch onaanvaardbaar; voor anderen, onder meer diverse liberale opiniemakers en politici, menen alvast van niet. Zij zien in deze commerciële spelers een ‘noodzakelijke partner’ om de uitdagingen van de vergrijzing het hoofd te kunnen bieden. Meer private commerciële initiatieven zouden garant staan voor een groter aanbod, dus minder grote wachtlijsten, en meer keuzevrijheid.

 

Keuzevrijheid

In het bliksemonderzoek van Van Der Lans zagen kenners van de lokale zorg- en welzijnspraktijken het begrip keuzevrijheid onder het marktdenken. Daarmee doelen ze op de hegemonie van het economische denken. Hoge keuzevrijheid in zorg en welzijn suggereert meer mogelijkheden tot kwaliteit maar leidt door prijsconcurrentie tot een kwaliteitsvermindering.  “Keuzevrijheid wordt een versiersel” zei een directeur van een provinciale raad. Volgens een ggz-preventie-onderzoeker is keuzevrijheid een marketinginstrument geworden voor de zorgverzekeraars. Van Der Lans besluit dan ook dat keuzevrijheid een speeltje van beleidsmakers is. Tegelijkertijd is het echter een sturend begrip voor de oude welzijnsdoelstelling. Men kan het begrip zowel positief als negatief ervaren, onder meer doordat het beleid, de theorie en de praxis en het management uit elkaar getrokken zijn.

 

Educatie en professionalisering

De zorgende professional wordt ook laag gewaardeerd. De constante evoluties in de gerontologie en de medische wetenschap creëert een nood aan levenslang en levensbreed leren. Toch constateren we een evolutie waarbij werknemers hiervoor niet de nodige tijd, steun en budget voor krijgen. De managers en de markt stellen hoge eisen maar de verzorgenden hebben geen vrije ruimte om te oordelen. Er is nood aan een professionalisering van binnenuit met ‘reflective practioner’ en ‘communities of practice’ (M. Spierts). Om kwaliteitszorg en professionaliteit te garanderen moet het delen van kennis aanwezig zijn; dit zorgt voor verbetering en innovatie, tevens een kenmerk van sociaal kapitaal. De organisatie, bij deze het rusthuis, dient vol werknemers te zitten met een kritische houding, met verantwoordelijkheidszin en een eigen mening. Verder moeten de werknemers leren uit ervaring, competenties ontwikkelen en hun motivatie blijven vinden (in de ouderenzorg is er veel uitval van werknemers door verlies van motivatie) onder de noemer andragogie. Dit vraagt een reorganisatie van het management maar geeft duidelijk een richting hoe de werkomgeving de kennisontwikkeling kan stimuleren (J.M.W. Kessels & R.F. Poell, 2004).

 

De gevolgen van besparingen

Een verdere uitbreiding van het commerciële aanbod, zoals we het vandaag kennen, biedt geen structurele oplossing voor het vraagstuk van het ouderdomsbeleid. Althans niet voor zover we onze ouderen, en later onszelf, een betaalbare, kwaliteitsvolle en toegankelijke zorg willen blijven garanderen. Commerciële initiatiefnemers investeren namelijk niet in onze ouderenzorg-sector uit sociale bewogenheid. Commerciële groepen en hun aandeelhouders willen rendement. Als het even kan, zo snel mogelijk en zo veel mogelijk want ten slotte is het dat waar de economie heden den dage rond draait. En dan is de besparingslogica nooit veraf. ‘Efficiënt managen’ heet dat: maximaal de kosten drukken.De gevolgen van dat ‘efficiënt managen’ laten zich vandaag al voelen in de commerciële sector van onze ouderenzorg. De eerste en belangrijkste kostenpost die eraan moet geloven is het personeel. Commerciële instellingen doen het stelselmatig met minder werknemers. Uit erkennings- en opvolgingsinspecties van de Vlaamse Zorginspectie blijkt dat maar liefst 60 procent van de voorzieningen binnen de commerciële sector niet eens de minimale personeelsnorm haalt (Vlaamse Zorginspectie, 2012). Dat de kwaliteit van de zorg hieronder lijdt, hoeft geen betoog. Steeds vaker duiken getuigenissen op van personeelsleden die stellen dat het ‘menselijk’ aspect van de zorg volledig aan het verdwijnen is. En wie denkt dat die beperktere personeelsomkadering zich uit in een lagere prijs, komt bedrogen uit. De OKRA-studiedienst toonde op basis van inspectieverslagen van de Vlaamse Zorginspectie uit 2007 aan dat een bewoner van een commercieel rusthuis bijna 45 procent meer betaalt aan personeel dan een bewoner van een OCMW-rusthuis. Een OCMW-rusthuis dat gemiddeld 30 procent meer personeelsleden tewerkstelt (Vlaamse Ouderenraad, 2011). Dat betekent: 45 procent meer betalen voor 30 procent minder personeelsleden, en dus voor 30 procent minder beschikbare zorg. Maar niet enkel op het personeel wordt bezuinigd.

 

Ook andere aspecten van de zorgverlening lijden onder de besparingsdrang van de commerciële uitbaters. Een reeks artikels in Het Laatste Nieuws bracht de excessen daarvan in kaart: maaltijden van bewoners die niet meer mogen kosten dan vier euro per dag en luiers die pas mogen ververst worden als ze 65 procent tot zelfs volledig verzadigd zijn (Het Laatste Nieuws, 2013). De commerciële sector kaapt jaar na jaar de hoofdprijs weg wat betreft het aantal gegronde klachten. De beweegredenen en de logica van heel wat commerciële initiatiefnemers zijn: winst primeert, ook als dit ten koste gaat van de kwaliteit van de zorg.  Voorstanders van de privatisering in de ouderenzorg geloven dat de staat en dus de belastingbetaler per definitie financieel wint bij privatisering. Het is echter zo dat de winsten in de social-profitsector geherinvesteerd worden in de ouderenzorg, terwijl deze in de commerciële sector bij de aandeelhouders terechtkomen. Onze sociale zekerheid zou dus mee de portemonnee van de aandeelhouders van een beursgenoteerde groep als Medica veilig spijzen (K. De Loor, 2013). De heer De Loor schreef dan ook volgende woorden: ‘Te koop: uw zuurverdiende oude dag’. Verder kan men bedenkingen hebben over de manier waarop die grote commerciële groepen belastingen ontduiken, terwijl het net die middelen zijn die de overheid nodig heeft om meer ouderenzorg te financieren (K. De Loor, 2013). Professor Marc De Vos van UGent zegt dan weer dat die winst nodig is om de economie te doen draaien: de overheid heft er belastingen op die dan opnieuw kunnen worden gebruikt voor de maatschappij. Olivier Remy, nationaal secretaris van de rusthuissector van het ACV, is daar nog niet zo zeker van: ‘Eén van die grote groepen heeft in 2010 2 100 000 euro winst gemaakt, maar slechts 713 euro belastingen betaald.’ (Remy, O. in Panorama, 2012). We nemen als maatschappij overigens risico’s door onze ouderenzorg uit te besteden aan de vrije markt: wat als een van die commerciële projecten over de kop gaat? Dan staan in het slechtste geval de bewoners gewoon op straat of neemt de overheid de instelling over. Om subsidies van de overheid te ontvangen dient men een aantal patiënten met een C-profiel aan te nemen.

 

Hier zien we echter dat de WZC enkel het verplichte aantal toelaat en voor de rest enkel A-profielen aanneemt, deze hebben namelijk minder zorg nodig maar betalen wel dezelfde bijdrage, vaak groter dan een pensioentje, en zijn dus goedkoper voor het woon-zorgcentrum. Wat de bedragen betreft die ouderen moeten betalen zien we bijna overal zeer dure prijzen: de kost is vaak hoger dan het pensioen van de oudere waardoor familieleden moeten meebetalen onder het mum van intergenerationele solidariteit. Meer stemmen roepen echter op om de gehele samenleving de kosten van de vergrijzing te laten betalen; hierbij hoort dan ook de Vlaamse Zorgverzekering.

 

Alternatieven

De pleitbezorgers van een verdere commercialisering schermen dan wel met het begrip keuzevrijheid, maar hoeveel keuze heeft een alleenstaande oudere die van de ene op de andere dag immobiel wordt? Er is dringend nood aan een stevig maatschappelijk debat over de positie van de markt binnen ons zorgmodel. Willen we zachtjesaan naar een commercieel alternatief of gaan we voor meer overheidsgebonden instellingen? De vergrijzing stelt ons inderdaad voor gigantische uitdagingen. Om het probleem van de vergrijzing het hoofd te kunnen bieden moeten we op zoek naar alternatieven. Ook minister Jo Van Deurzen erkent dat de Vlaamse Regering onmogelijk die zware kosten kan blijven dragen. Daarom moeten we opnieuw meer investeren in andere alternatieven binnen de ouderenzorg . Thuiszorg kan hier een zeer interessante piste vormen. We moeten er immers voor zorgen dat mensen zolang mogelijk thuis kunnen blijven wonen. Hiervoor zijn investeringen in de thuiszorg nodig. Er dienen meer ambulante voorzieningen zoals dagcentra en lokale of regionale dienstencentra voor handen te zijn en er is nood aan meer ondersteuning voor mantelverzorgers. Minister Jo Van Deurzen wil dat meer mantelverzorgers gaan zorgen voor onze ouderen maar omdat we steeds meer gecompliceerde familierelaties hebben in onze maatschappij, moeten we daarvoor ook buiten de familiale context durven kijken. Deze visie staat echter haaks op de evolutie van vandaag, wat betreft de zogenaamde activering. Mensen dienen immers steeds langer te werken en krijgen te weinig opties om te kiezen voor mantelzorg. We zouden ook kunnen werken met meer vrijwilligers. Hier is echter het probleem dat deze niet de juiste kwalificaties hebben om goed voor iemand te zorgen. Er is dus nood aan gedeelde zorg, zowel professioneel als informeel.

Verder dient er iets gedaan te worden op de manier waarop we bouwen en wonen. De meeste huizen in Vlaanderen zijn helemaal niet aangepast op de oudere: smalle deuren, steile trappen, geen slaapkamer beneden en ga zo maar door. Veranderingen zoals het omvormen van serviceflats naar assistentie-woningen en het integreren van de verschillende woonvormen en zorg in zorg-regio’s bij elkaar zijn daarom belangrijker. Het gevaarlijke hieraan is dat dit een gemeentelijke beslissing is: sommige streken kunnen dus meerdere zorg-regio’s bevatten en andere dan weer geen. Er zijn vele wegen die nog dienen onderzocht te worden, maar het mag wel duidelijk zijn:dat er wel degelijk alternatieven zijn en privatisering niet dé oplossing is die de vergrijzingsproblematiek gaat oplossen. Er moet multidimensioneel, met oog voor macroprocessen, met aandacht voor het normatieve karakter en gecontextualiseerd gekeken worden naar de situatie (Advies van Cullen, 2002). Een agogische benadering moet door de sectorale muren heen gaan en interdisciplinair en pragmatisch zijn, met andere woorden: de vraag stellen welke actie ondernomen kan worden en welke alternatieven er voor handen zijn. Het liberale standpunt mag dan ook niet blindelings gevolgd worden: ideologiekritiek is namelijk een van de handelingstheorieën. Dit alles met multifunctionaliteit, met name op vlak van begeleiding, beheer en beleid. Zowel bij een probleemoplossend als waarderend onderzoek kunnen er alternatieven en actieplannen uit de bus komen. Samen met de vele belangenorganisaties kan er een operationeel plan worden gemaakt aan de hand van ‘Project Cycle Management’. Voor er een beleidsbeslissing komt, moet er onderzoek gedaan worden waarbij elke speler betrokken wordt en alle mogelijke invalshoeken bekeken worden: psychologisch, individueel, voor de cliënt en de werknemer, sociologisch en filosofisch, de verschillend wereldbeelden en culturen van de burgers.

 

Conclusie

De bittere discussie tussen meer privatisering en het houden in overheidshanden vinden we in vele domeinen en sectoren terug. Voorstanders halen de argumenten meer keuzevrijheid en scherpere prijzen aan om te overtuigen. Tegenstanders wijzen dan weer op het kwaliteitsverlies en het verlies van professionalisering. Vele vzw’s wijzen bovendien op het ethische aspect van een pure commercialisering. Maar zijn er wel alternatieven om de vergrijzingsproblematiek aan te pakken? Zoals in de vorige alinea reeds besproken zijn er wel degelijk verschillende paden die mogelijk een oplossing zouden kunnen bieden zoals meer ambulante (thuis)zorg en/of geïntegreerde zorg-regio’s. Verder zijn er nog andere katten te geselen: een nieuw zorgmodel waarbij de aanbodgestuurde zorg omgevormd wordt naar vraaggestuurde zorg met een persoonsgebonden budget (PGB) waarmee de oudere zelf kan bepalen welk zorgpakket hij of zij kiest. Deze beslissingen worden echter steeds weer uitgesteld.

 

Uit de cijfers van het jaarverslag van de Woonzorglijn blijken particuliere rusthuizen en woonzorgcentra de meeste gegronde klachten te krijgen; er mag dus heus wel wat harder worden opgetreden tegen commerciële voorzieningen die de kwaliteit- en personeelsnormen niet respecteren. Strengere, transparante kwaliteitsnormen en meer controle zijn dan ook belangrijk om kwaliteitszorg te garanderen en de cliënten op een multidisciplinaire en holistische manier te verzorgen. OKRA en Zorgnet Vlaanderen zeiden het al in 2010: ja aan een mensgerichte zorg, neen aan een winstgerichte zorg. Mijn mening luidt dan ook als volgt: op de kwaliteit van iemands oude dag bespaar je niet. Zorg is een onvoorwaardelijk recht, geen koopwaar.

Deel

met uw netwerk:


Meer opiniestukken:

Bestel online:

Zo wordt u opiniemaker

In dit boek leert u in tien stappen denken en schrijven als een journalist

 

Alleen nog verkrijgbaar via bol.com


Schrijftip van de week

Week 50
Practice what you preach
> Meer