Veiligheid
18 november 2016 | door: Peter Keller, Oud-medewerker Dir. Veiligheid Europese Commissie

Terrorismebestrijding vereist strakke degelijke bureaucratische inbedding

Succesvolle terrorismebestrijding door AIVD en Europese Counter Terrorism Group moet gegrond zijn in duidelijke wetgeving en beschikken over een onafhankelijk en ‘performant’ controlemechanisme.

"Zonder efficiënte onafhankelijke controle op terrorismebestrijding is kans op ontsporingen te groot"

Internationale samenwerking door inlichtingen- en veiligheidsdiensten, ook op Europees niveau, is geen sinecure.  

 

Om te beginnen staat in de Europese verdragen (Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 4.2) uitdrukkelijk dat ‘nationale veiligheid’ geen Europese, maar een zuiver nationale bevoegdheid is. Terwijl in hetzelfde verdrag ook vastgelegd is dat: “de Unie slechts optreedt indien en voor zover de  .. doelstellingen van het optreden niet voldoende door de lidstaten …  kunnen worden verwezenlijkt, maar … beter door de Unie kunnen worden bereikt” (artikel 5.3). Voor terrorismebestrijding gelden beide artikelen - omdat vriend en vijand het erover eens zijn dat terrorismebestrijding alleen in internationale context kan worden aangepakt. Deze verdragsartikelen lijken op het eerste gezicht in tegenspraak met elkaar te zijn. 

 

We zien dan ook dat er op het gebied van het Europese antiterrorismebeleid twee parallelle wegen bewandeld worden: binnen het kader van de Europese verdragen worden organisaties opgericht met (ook) een antiterrorisme-taak (het European Analysis Centre van de Raad, Europol, het Schengen Informatiesysteem) en dat er buiten het kader van deze verdragen hetzelfde gebeurt (Club de Berne van West-Europese veiligheidsdiensten, de Counter Terrorism Group hiervan, en het CT Inlichtingenplatform van de CTG).  

 

Voor beide vormen van samenwerking moeten er duidelijke wettelijke regels zijn: de uitvoerders moeten weten wat er van ze verwacht wordt, wat hun bevoegdheden zijn en in hoeverre hun optreden gedekt is door politiek en door ‘de wet’. En de wetgever moet zich realiseren dat inlichtingenwerk in een democratie een internationaal én nationaal belang is met bijzondere eigenschappen. En dat bijvoorbeeld ‘veiligheid’ en ‘privacy’ beide, in een dynamische evenwicht, gehandhaafd en bevorderd moeten worden. 

 

Mogelijke oplossing 

Voor de georganiseerde samenwerkingsvormen buiten de formele Europese regelgeving, zoals het CT Inlichtingenplatform van de CTG, zal een juridische constructie gebruikt moeten worden die aan deze eisen voldoet. Zoals een multilateraal verdrag tussen de deelnemende lidstaten, al dan niet in de vorm van “Enhanced European Cooperation’. Daarbij kunnen tevens een aantal tot nog toe beperkende factoren zoals de ‘Third Party Rule’ zodanig in deze regelgeving opgenomen worden dat zij geen interne vertragende werking hebben. Te denken valt aan de regel dat dit Platform en de daaraan meewerkende (delen van) inlichtingenorganisaties één enkele eenheid vormen, zodat uitwisseling van gegevens binnen één partij plaatsvindt. 

 

Het feit dat er grote verschillen bestaan tussen de ophanging en bevoegdheden van de deelnemende diensten - onder verschillende ministers, met of zonder politiële bevoegdheden - maakt ook dat er duidelijke gemeenschappelijke regels voor zowel bronbescherming als voor het gebruik van de, soms ‘zachte’ of niet-geëvalueerde, gegevens die in het systeem worden opgenomen nodig zijn.  

 

In een dergelijke regeling moet ook de controle op dit Platform geregeld worden. Zonder efficiënte onafhankelijke controle op het grotendeels in het geheim opererende Platform is de kans op ontsporingen te groot, ook bij professionele en welwillende operateurs. Daarnaast heeft de Snowden-affaire onder andere geleerd dat in het geheim opererende diensten een grote mate van vertrouwen van zowel participanten als van de burgers moeten bezitten. Dat vertrouwen moet opgebouwd worden, gedeeltelijk door goede informatie te verschaffen over het hoe en het waarom van een dergelijke organisatie, anderzijds door een geloofwaardige controle toe te passen.  

 

Geloofwaardige controle  

Omdat het hier om een combinatie van IT- en menselijke elementen gaat zijn er verschillende opties. De meest eenvoudige en ook efficiënte constructie zou de inbedding van de IT-hub, samen met de liaisons van de deelnemende diensten, in één deelnemend land zijn, bij één dienst, met de controle op dit complex door het nationale onafhankelijke toezichtsorgaan van dit gastland. Als het Platform in Nederland gevestigd blijft kan dat de CTIVD zijn, als dit orgaan tenminste wordt versterkt met ervaren specialisten op het gebied van IT-intelligence, zoals bijvoorbeeld Ronald Prins of professor Bart Jacobs. De rapporten die dit toezichtsorgaan over het Platform opstelt dienen daarnaast ook volledig toegankelijk te zijn voor de nationale toezichtsorganen op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in de overige deelnemende landen.  

 

Conclusie 

Efficiënte internationale terrorismebestrijding vereist niet alleen langdurige, creatieve en innovatieve inbreng van professionele inlichtingenofficieren en ICT-specialisten, maar een even creatieve inbreng van juristen en politicologen. Bij voorkeur aangemoedigd en gesteund door een breed politiek krachtenveld van verantwoordelijke politici en burgers. 

Deel

met uw netwerk:
Opiniestukken van: Peter Keller, Oud-medewerker Dir. Veiligheid Europese Commissie
Terrorismebestrijding vereist strakke degelijke bureaucratische inbedding - 18 november 2016



Meer opiniestukken:

Bestel online:

Zo wordt u opiniemaker

In dit boek leert u in tien stappen denken en schrijven als een journalist

 

Alleen nog verkrijgbaar via bol.com


Schrijftip van de week

Week 50
Practice what you preach
> Meer