Vrijheid en Gelijkheid
26 juni 2017 | door: Marija Djulabic, Accountmanager Models at Work

Lief Nederland & Amsterdam, volgens mij is het uit en dat wil ik helemaal niet

Lieve Nederlander, lieve Amsterdammer, lief Amsterdam, Ik ben bang dat we het uit moeten maken.

"Jij Nederlander, jij Amsterdammer, jij was altijd mijn held."

Ik ben soms zo jaloers op jou. Op jouw comfort betreft overlapping van gevoel en herkomst, op jouw berusting in je identiteit, op jouw logica in het traceren van jouw gewoontes en aannames, van je herkomst en doel in het leven.

 

Ik benijd je soms zo, jij Nederlander, jij Amsterdammer. Op jouw gebrek van je achternaam moeten spellen en je er voor moeten verontschuldigen dat het zo moeilijk is te schrijven; op het ontbreken van de micro-agressie van verbazing “dat je zo goed Nederlands spreekt, je hoort er echt niks van”; en op de natuurlijkheid waarmee je tot deze samenleving behoort en altijd onderdeel van bent geweest. Jij zult je nooit hoeven te verdedigen dat je hierbij hoort, het bewijs zit in je blauwe ogen en/of je soepel klinkende achternaam. Het bewijs zit in dat je je nooit hebt hoeven te bewijzen.

 

En toch: jij Nederlander, jij Amsterdammer, jij was altijd mijn held.

 

Toen ik hier kwam in 1992, was er een ding dat prioriteit had: tot jou behoren, koste wat het kost. Ik was vier, mijn eigen land was verscheurd door een onverklaarbare oorlog, en ik begreep weinig van de wereld. Maar ik begreep dat ik om te overleven vooral zo snel mogelijk niet hier meer op moest vallen. Niet meer die tune van “Morgen zal het beeeeeeeter zijn…” van Marco Borsato in mijn ogen moest dragen.

 

Ik begreep ook dat er voorwaardes zaten aan die veiligheid: ik begreep dat ik een pact moest sluiten, een pact dat ik zonder aarzelen accepteerde en doorzette. Ik moest leren bij dit land te horen. En indirect: vanwege mijn leeftijd moest ik indirect dus ook vergeten waar ik vandaag kwam, waar mijn ouders zoveel voor hadden geleden. Op een bepaalde manier moest ik om hier te horen hun en hun afkomst, inzet en land verloochenen. Ik begreep dit, en dit was ok.

 

Want ik begreep hoe open, ruimdenkend, en mooi jij was.

 

Dus ik assimileerde: ik sprak binnen 1 jaar het meest correcte ABN (inclusief Haarlemse rollende “…Rrrrrr”), ik las binnen no time de achterkant van de Vara-gids, ik zong mee met elk liedje van Kinderen voor Kinderen (ook al was dit in het begin enkel fonetisch), en ik wist 5 weken na aankomst in Nederland dat je bij een verjaardag een kring kon verwachten met opa’s en tantes en buurvrouwen waar je aan het einde een zakje snoep mee kreeg en niet thuis werd gebracht.

 

En dit was allemaal anders dan voorheen en verwarrend en vreemd en moeilijk. Maar het was ok.

 

Ondertussen vergat ik langzaamaan de liedjes die mijn moeder in het Servo-Kroatisch zong als ik niet kon slapen. Want dat was nergens voor nodig. Hier kon je rustig slapen en waren liedjes niet meer nodig.

 

Er waren ook incidenten dat het het niet waard was, incidenten die mijn prepuberale tot adolescente geest vormden maar niet konden breken: zoals ‘grappige’ opmerkingen over hoe gewelddadig en crimineel de mensen waren uit het land waar ik vandaan kwam; grollen over oorlogsveteranen (waar mijn vader toe behoort); het moment dat ik niet op de tennisclub mocht “omdat ik niet de juiste herkomst had” (ze hadden, zo hoorde ik veel later, hun ‘buitenlandse quotum’ al behaald’); en ik de vanuit de overheid voor specifiek bepaalde bevolkingsgroepen verplicht gestelde lessen Nederlandse taal die na schooltijd werden gehouden moest volgen. Op dat moment zat ik op het Lyceum en had ik het hoogste cijfer van een klas van ongeveer 30 man voor Nederlands. Maar komen moest ik toch. Lessen waarbij ons het verschil tussen “d” en “t” uit werd gelegd, terwijl ik ondertussen stiekem Nescio en Cremer zat te lezen om te tijd te doden en maar zat te wachten tot ik uit deze beschamende, denigrerende vertoning kon verdwijnen.

 

Maar breken deden ze mij niet. Breken deden ze mij nooit.

 

En toch brak ik laatst, als zijnde een persoon die sinds mijn 4e tot mijn nu 29e een actieve burger van de Nederlandse samenleving was en is. Als zijnde een persoon die sinds haar 16e werkt en netjes belastingen betaalt en haar buren vraagt of alles wel oké is en meedraagt aan het sociale leven in Amsterdam. Als zijnde een persoon die volledig dacht op te zijn genomen in de Amsterdamse samenleving. Voor het eerst in mijn leven kreeg ik deze welbekende zin rechtstreeks voor mijn kiezen:

 

“Dan ga je toch terug naar je eigen land…?!”

 

Lieve Nederlander, lieve Amsterdammer, lief persoon op het internet die denkt alles maar te kunnen spuien wat hij of zij wil: ik heb sowieso een bewustere keuze gemaakt dan jij om bij Nederland te horen. Ik heb meer in moeten leveren aan voormalige identiteit, staatsburgerschap, en nationale samenhorigheid dan jij om hierbij te horen. Ik ben meer verscheurd tussen mijn afkomst en mijn toekomst dan jij ooit mee zult moeten maken. Ik heb meer bruggen verbrand en vernederingen doorstaan dan jij kan verzinnen en waar jij ooit hebt van hebt durven dromen. Ik heb een taal en een volk intiem bij moeten leren los van de mijne om hier bij te horen. Ik heb mijn eigen taal en eigen volk intiem gedag moeten zeggen om bij Nederland te horen.

 

Ik heb meer gekozen voor dit land en deze stad dan jij ooit zult kunnen doen.

 

Dit.

Is.

Mijn.

Land.

 

Dit.

Is.

Mijn.

Stad.

 

En het was alles waard.

 

Tot voor kort.

 

Lief, erbarmelijk, ruimharig Nederland en vooral heerlijk, openhartig en ruimdenkend Amsterdam: jij hebt in de jaren ’90 je straten en wijken opengesteld voor mij en mijn mensen. Ik op mijn beurt heb dingen ingeleverd toentertijd die nog steeds een beetje pijn doen, maar die ik met liefde inleverde want ik was zo bereid te passen in de fantastische ruimte die jij voor mij maakte. Immers: de stad geeft, de stad neemt. En het was goed zo, het was fair zo.  

 

Maar lieve Nederlander, lief Amsterdam: ik begin te twijfelen of ik de juiste keus wel heb gemaakt. Toentertijd was jij de redder, was jij hetgeen die mij als vierjarig knuppeltje in leven hield. Jij en de helden van jouw stad die hun deuren open deden voor mij. En met veel begrip gaf ik daarvoor een stuk van mijn afkomst op, vergat ik deels de taal van mijn moeder en het dorp van mijn vader. Met liefde bleef ik altijd net dat laatste stukje aan de zijlijn en liet ik mij een net-niet-burger voelen. Met liefde voor jou accepteerde ik dat ik net iets minder waard was dan de Nederlandse kindjes, dat ik ondanks al mijn pogingen om erbij te horen nooit echt onderdeel van jou zou maken. Jij had immers zoveel voor mij gedaan. Jij was immers zo goedhartig mij op te nemen, zulk een Samaritaan dat jij mij in je land toeliet.

 

Maar nu roepen burgers van jou om kinderen net zoals mij terug of weg te sturen. Naar een land wat niet veilig is. Kinderen, naar een land dat bijna gegarandeerd hun dood is. Kinderen, naar een land waar zij nooit hun volle potentie kunnen ervaren zoals ik hier wel heb kunnen doen. Kinderen, die nogmaals: gaan sterven. Kinderen waar deze keer geen Marco Borsato voor is is om catchy liedjes voor te schrijven. Kinderen, die niet meer of minder waard zijn dan ik was. 

 

Eigenlijk, gewoon, bot gezegd: kinderen. Moet hier echt een uitleg bij? 

 

Een dit, dit is een wens van jouw burgers, burgers waarvan ik al die jaren in mijn hoofd had dat ze mijn helden waren. Van jouw burgers, die mij zo liefdevol uitlegden wat Sinterklaas was en waarom ik mijn schoen moest zetten en wat een Zwarte Piet was en waarom dit allemaal anders was dan de Kerstman. Van jouw burgers, die mij lieten spelen met hun kinderen en waar ik op mijn beurt van leerden dan de stoeptegels onder een klimrek best hard zijn en echt niet van rubber en even serieus wie heeft ooit gedacht dat dat voldoende was om een kind dat koppeltje duikt te beschermen dit is eigenlijk toch heel erg onveilig of ben ik gek? Jouw burgers, die mij lieten zien dat je in de straten van de Jordaan net zo hard naar je buurman in het raam naast je kon schreeuwen als in de straten van Kroatië en dat ik dus eigenlijk helemaal niet zo ver van huis was, eigenlijk.

 

Die burgers. Diezelfde burgers sturen nu de nieuwe versie van mij hun dood in.

 

Lieve Nederlanders, lieve Amsterdammers, lief Amsterdam:

 

ik hou zo veel van je, maar soms herken ik je niet meer terug. Je bent niet meer wie je vroeger was.

Ik hou zo veel van je, maar ik zie soms niks meer van de liefde die ik vroeger zag.

Ik hou zo veel van je, maar ik zie soms niks meer van de open en ruimhartige geest waar je voor stond meer terug.

Ik hou zo veel van je, maar ik denk soms dat ik van een versie hou die je vroeger was en die allang vergaan is.

 

Lief Nederland, ik ben zo bang dat je nooit bestaan hebt zoals ik je zag, of dat die versie van je gestorven is. Maar ik geloof dat eigenlijk niet. 

 

Lief Nederland, lief Amsterdam:

 

Kom alsjeblieft terug want ik mis je zo en het kan zo niet verder.

 

Kom terug want niks is meer zoals het was.

 

Kom alsjeblieft terug want je bent jezelf niet meer. 

 

Deel

met uw netwerk:
Opiniestukken van: Marija Djulabic, Accountmanager Models at Work
Lief Nederland & Amsterdam, volgens mij is het uit en dat wil ik helemaal niet - 26 juni 2017



Meer opiniestukken:

Bestel online:

Zo wordt u opiniemaker

In dit boek leert u in tien stappen denken en schrijven als een journalist

 

Alleen nog verkrijgbaar via bol.com


Schrijftip van de week

Week 16
Maak een heldere structuur
> Meer