Wetenschap
20 november 2012 | door: Anja Hiddinga, verbonden aan de afdeling sociologie en antropologie van de Universiteit van Amsterdam

Gebarentaal mag niet terug in het verdomhoekje

We mogen dove kinderen niet de kans ontnemen om deze volkomen en rijke taal te leren. Dat sommigen deze tweetaligheid ter discussie stellen is een bedreiging voor een volwaardig leven van dove mensen.

"Gebarentaal is essentieel voor de emancipatie van dove mensen"

Dat er in Nederland dove mensen wonen is de afgelopen decennia steeds zichtbaarder geworden. Wij kijken niet meer op van doven in de media, in bioscoopfilms of van gebarentaaltolken in tv-programma’s. Cursussen gebarentaal zijn in trek, de tolkenopleiding gebarentaal aan de Hogeschool Utrecht loopt vol en het is in de mode om – horende – pasgeborenen ‘babygebaren’ te leren.

 

Ongetwijfeld heeft die grotere zichtbaarheid te maken met de acceptatie en erkenning van gebarentaal als echte taal, een voorwaarde voor en tegelijk een resultaat van de emancipatie van dove mensen. Zij vormen een culturele gemeenschap en zijn trots op hun taal. Maar terwijl serieuze aandacht van de horende wereld voor gebarentaal en gebarentaalgebruikers groeit, wordt nu door sommige experts het belang van gebarentaal in de opvoeding van jonge dove kinderen ter discussie gesteld.

 

Deze kinderen, van wie de jongste generatie voor meer dan 90 procent een elektronische binnenoorprothese (CI) heeft, zouden geen baat meer hebben bij gebarentaal. Sterker nog, het gebruik van gebarentaal zou hen in de weg zitten bij het verwerven van de gesproken taal.

 

Gebarentaal onder wetenschappelijk vuur

Wetenschappelijke publicaties met deze strekking roepen in kringen van taalkundigen en pedagogen veel kritische vragen op over de methodiek en conclusies van het onderzoek. Maar terwijl discussies daarover in de vakliteratuur volop gaande zijn, verschijnen inmiddels berichten in de media met een bepaalde strekking: de rol van gebarentaal in het leven van jonge dove kinderen in Nederland lijkt te zijn uitgespeeld.

 

De Leidse universiteit bijvoorbeeld, bracht onlangs een persbericht over een promotieonderzoek aldus naar buiten: ‘Geen gebarentaal meer voor dove kinderen met implantaat?’ In het dagblad Trouw werd dat: ‘Moet doof kind met implantaat nog gebarentaal leren?’ en op de website van Nu.nl was de belangrijkste boodschap inmiddels: ‘Gebarentaal vertraagt taalontwikkeling van kinderen met cochleair implantaat (CI).’

“Tendentieuze berichtgeving”, oordeelde het Nederlands Gebarencentrum, een lexicografisch instituut dat de Nederlandse Gebarentaal in kaart brengt.

 

Verleidelijke kritiek

De kritiek op dit en ander onderzoek is fundamenteel: de studies zijn gebaseerd op kleine aantallen van in verschillende omstandigheden onderwezen kinderen. Er wordt bovendien uitgegaan van aannames (bijvoorbeeld over tweetaligheid) waarvan de geldigheid volop in discussie is.

 

Het gaat mij hier nu echter niet zozeer om de ins en outs van de wetenschappelijke commentaren. Meestal worden de conclusies door de onderzoekers zelf ook meer als verder uit te zoeken vraagstukken dan als keiharde waarheden gepresenteerd. Wel kunnen we vaststellen dat uitspraken met dergelijke verstrekkende consequenties voor de Nederlandse dovengemeenschap en haar taal, op hele zachte basis rusten. Wat maakt het idee dat gebarentaal ‘niet meer nodig’ is voor de groep van jonge dove kinderen zo verleidelijk?

 

Gebarentaal zou geen volwaardige taal zijn

Zoals zo veel gebarentalen, kent de Nederlandse Gebarentaal (NGT) en haar gebruikers een geschiedenis van onderdrukking en achterstelling. Het is nog niet zo lang geleden dat op de doveninstituten een verbod gold op het gebruik van gebarentaal. Volwassen doven kunnen daar schrijnende verhalen over vertellen. Gebaren werden gezien als een primitief communicatiemiddel, hooguit een hulpmiddel om de spreektaal te leren. Rond de zestiger jaren brachten taalkundigen verandering in deze opvatting, maar pas in de loop van de tachtiger jaren van de vorige eeuw kregen gebaren een plaats in het Nederlands dovenonderwijs. Langzaam maar zeker kwamen er op de speciale scholen ook meer dove mensen te werken. Het werd als een belangrijke verworvenheid gezien dat dove kinderen konden leren en communiceren in hun eigen, natuurlijke taal. Dat was goed voor hun cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling en ook voor de mogelijkheid om zich te identificeren met dove volwassenen. Vrijwel altijd (in 95 procent van de gevallen) hebben dove kinderen namelijk horende ouders en daardoor meestal geen banden met de dovengemeenschap.

 

Tweetalig dovenonderwijs sinds 1996

Het belang om de gebarentaal zo vroeg mogelijk goed te leren werd alom onderschreven en horende ouders en leerkrachten uit het dovenonderwijs kregen cursussen gebarentaal aangeboden.

 

Tegelijkertijd bleef  het aanleren van het gesproken en geschreven Nederlands vanzelfsprekend een belangrijke doelstelling in het dovenonderwijs.

 

Door de wetenschap dat gebarentalen echte talen zijn, werd een nieuwe visie op het aanleren van die spreektaal mogelijk. Onderzoek naar tweetaligheid bij gesproken talen had duidelijk gemaakt dat het beheersen van een ‘eerste’ taal noodzakelijk was om tot goede verwerving van een tweede taal te komen. Vanuit dit model werd het idee van tweetalig dovenonderwijs ontwikkeld, waarbij gebarentaal als eerste taal en de gesproken taal als tweede, ‘vreemde’ taal, werd onderwezen. In Nederland werd deze tweetaligheid voor het eerst in 1996 daadwerkelijk ingevoerd in het dovenonderwijs.

 

Opgeven van tweetaligheid is groot verlies

De merites van dit model staan nu ter discussie voor jonge, ‘gewone’ (niet meervoudig beperkte) dove kinderen met een CI. De discussie wordt deels gevoerd met wetenschappelijke argumenten, die zoals gezegd stevig onder vuur liggen. Maar deels ook vanuit veronderstellingen dat zowel horende ouders als horende leerkrachten de gebarentaal niet voldoende machtig kunnen worden om het model van tweetaligheid daadwerkelijk in praktijk te brengen.

 

In feite wordt daarmee het falen van het dovenonderwijs erkend. Maar in plaats van strengere eisen te stellen aan onderwijzend personeel, een beter aanbod van cursussen en trainingen na te streven, meer dove volwassenen binnen de scholen te halen, worden de handen in de schoot gelegd. Het zou onmogelijk zijn om het doel van een gebarentalige omgeving voor het opgroeiende dove kind te realiseren. Daarom kan maar beter worden ingezet op de spreektaal.

 

Deze gevolgtrekking wordt versterkt door medisch-technologische ontwikkelingen. Door de vrijwel routinematige implantatie van dove baby’s met CI wordt doofheid met wisselend succes ‘opgewaardeerd’ tot slechthorendheid. In zo’n medisch traject staat gebarentaalaanbod sowieso op achterstand. Alles is gericht op het verwerven van de  gesproken taal en gebarentaal is daar slechts een hulpmiddel toe. Zo wordt voor deze kinderen een enorme hindernis opgeworpen naar de culturele gemeenschap waar dove mensen ‘thuis’ zijn. Een hindernis bovendien, naar een volkomen toegankelijke, rijke taal van bijzondere uitdrukkingskracht en grote schoonheid. Hoe is het mogelijk dat de rijkdom van tweetaligheid zo makkelijk wordt opgegeven? Voor welke andere taal wordt eentaligheid als respectabel doel gezien?

 

Geen eigen plek voor doven

Door de voorgestelde herstructurering in het speciaal onderwijs worden deze ontwikkelingen versterkt. Bezuinigingen vragen om stroomlijning. Speciaal is nu eenmaal duurder dan regulier en daarom wordt ingezet op integratie van dove kinderen in het regulier onderwijs, tenzij blijkt dat dat een brug te ver is.

 

Het assimilatiedenken uit de jeugdjaren van oudere dove mensen wordt zo nieuw leven ingeblazen en bewuste, gebarentaal gebruikende doven worden opnieuw gediskwalificeerd tot mensen die het niet kunnen redden in een horende wereld. Terug naar de onzichtbaarheid dus. Sommigen noemen deze ontwikkeling vooruitgang. Mij lijkt het oude, bedorven wijn in nieuwe zakken. Het toont het ongeduld van een samenleving die weinig op heeft met mensen die anders zijn en hun plaats steeds opnieuw moeten bevechten.

 

Anja Hiddinga is verbonden aan de afdeling sociologie en antropologie van de Universiteit van Amsterdam. Dit artikel is ook gepubliceerd op Sociale Vraagstukken.nl

 

Deel

met uw netwerk:
Opiniestukken van: Anja Hiddinga, verbonden aan de afdeling sociologie en antropologie van de Universiteit van Amsterdam
Gebarentaal mag niet terug in het verdomhoekje - 20 november 2012



Meer opiniestukken:

Bestel online:

Zo wordt u opiniemaker

In dit boek leert u in tien stappen denken en schrijven als een journalist

 

Alleen nog verkrijgbaar via bol.com


Schrijftip van de week

Week 50
Practice what you preach
> Meer