Arbeidsmarkt
19 februari 2013 | door: Jo Libeer, Gedelegeerd bestuurder Voka-VEV

Loonkostenhandicap dodelijk voor Belgische industrie

Professor Paul De Grauwe moet uit zijn ivoren toren klimmen en de handicaps van het bedrijfsleven onder ogen zien.

"In sommige sectoren zijn werknemers tot 20% duurder dan even productieve werknemers in de buurlanden"

Professor De Grauwe vindt het verdwijnen van de industrie uit België niet erg en ontkent dat er een loonkostenprobleem is. De hoogleraar European Political Economy aan de London School of Economics blijft blind voor een aantal specifieke Belgische handicaps.

 

Het probleem is eigenlijk dat Paul De Grauwe in deze materie te theoretisch denkt. Zijn basisstelling klopt natuurlijk: door de toegenomen productiviteit  in de industrie – zoals betere en snellere machines – kunnen we steeds meer produceren met minder personeel. Net zoals in de landbouw, neemt hierdoor de tewerkstelling in de industrie af. Doordat de toegenomen welvaart de vraag naar diensten verhoogt, sneller dan de vraag naar industrieel vervaardigde producten, wordt de dienstensector automatisch groter. En door de toegenomen productiviteit stijgen de lonen in de industriële sector.

 
Klachten van Belgische bedrijfsleiders

Weinig mensen zullen deze wetmatigheid ontkennen. Maar De Grauwe hanteert zijn theoretische analysekader wel zeer eng wanneer hij het over de klachten van Belgische bedrijfsleiders heeft. In De Morgen suggereerde hij dat bedrijfsleiders in België de lage lonen van China of Oost-Europa in België willen, “anders kan de industrie hier niet overleven”. Ik weet niet met welke bedrijfsleiders De Grauwe spreekt, maar dat is absoluut niet de kern van het grote ongenoegen van vele bedrijfsleiders. Wij pleiten helemaal niet voor Chinese lonen en  loonkostendalingen met 80%.

 
Loonkostenhandicap negeren
Waar De Grauwe blijft omheen fietsen is de loonkostenhandicap met onze omringende landen of landen die eenzelfde welvaarts- en productiviteitsniveau als België hebben. Die handicap werd deze week nog maar eens bevestigd door de cijfers van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven. Belgische ondernemers ervaren in sommige sectoren dat hun werknemers tot 20% duurder zijn dan even productieve werknemers in de buurlanden. In concurrentiële industriële bedrijven waar strijd geleverd wordt voor iedere euro kostenverschil, is zo’n kloof dodelijk. Tenzij De Grauwe kan aantonen dat Belgische werknemers en Belgische machines 20% productiever zijn dan machines en arbeiders in Duitsland of Nederland, en dat ook zullen blijven.

 
Daarnaast stelt De Grauwe dat de werkgevers de productiviteitsverbeteringen volledig in hun zak willen steken. Ook hier maakt hij een fout: de voorbije jaren zijn de lonen door de automatische loonindexering veel sneller gestegen dan de productiviteit. Hierdoor hebben onze bedrijven het steeds moeilijker om hun loonkostenstijgingen door te rekenen in de verkoopsprijzen. Het desindustrialiseringsproces wordt hierdoor versneld. Het is geen toeval dat België in 15 jaar tijd 4 van de 6 autofabrieken zag verdwijnen. Ook in Duitsland en elders in Europa gaan er autofabrieken dicht, maar nergens aan hetzelfde ritme als hier.

 
Niet allemaal te vervangen
Tot slot meent Paul De Grauwe dat de industrie perfect kan vervangen worden door een diensteneconomie. Dat mag theoretisch dan wel kloppen, in de praktijk is het toch anders. Eerst en vooral blijft het aantal exporteerbare diensten en hun toegevoegde waarde beperkt. Professor Joep Konings berekende dat 20% van de bedrijven in België instaan voor 80% van de toegevoegde waarde en 90% van de export. Wel, deze 20% situeert zich haast volledig in de industriële sector. De toegevoegde waarde van industriële processen blijft in de praktijk nog altijd groter dan vele activiteiten in de dienstensector.

 
Hier speelt ook een belangrijk sociaal aspect, iets waar De Grauwe toch niet ongevoelig voor kan zijn. De hoogproductieve en exporteerbare dienstenbedrijven (bv accountants, IT-diensten, creatieve sector) creëren hun toegevoegde waarde vooral via hoogopgeleide kenniswerkers. In deze sectoren worden mensen die niet over veel kennisvaardigheden beschikken eerder veroordeeld tot laagproductieve randactiviteiten, zoals het bemannen van een call-center, koerierdiensten verrichten… Het potentieel voor die mensen om hun productiviteit uit te breiden is beperkt (je kan niet door betere machines veel meer pakjes rondbrengen, mensen in het restaurant bedienen of telefoontjes doen). Dit in tegenstelling tot de industrie waar mensen met gemiddelde vaardigheden door nieuwe machines veel productiever kunnen worden en hun productiviteit kunnen verhogen. Dit vertaalt zich dan in hogere lonen.

 
Het siert de internationaal gereputeerde econoom De Grauwe dat hij deelneemt aan het debat in Vlaanderen. Maar wanneer hij dat doet, moet hij toch wel wat uit zijn ivoren toren klimmen en de specifieke handicaps waar het Belgisch bedrijfsleven mee worstelt, onder ogen durven zien. Voor hem zijn het theoretische concepten, voor onze bedrijfsleiders en hun werknemers is het harde dagdagelijkse realiteit.

Deel

met uw netwerk:
Opiniestukken van: Jo Libeer, Gedelegeerd bestuurder Voka-VEV
Ondernemers en onderwijs, laat het talent niet liggen! - 6 mei 2013
Loonkostenhandicap dodelijk voor Belgische industrie - 19 februari 2013



Meer opiniestukken:

Bestel online:

Zo wordt u opiniemaker

In dit boek leert u in tien stappen denken en schrijven als een journalist

 

Alleen nog verkrijgbaar via bol.com


Schrijftip van de week

Week 50
Practice what you preach
> Meer