Debat
24 februari 2013 | door: Vincent de Haan, Student rechten, psychologie en wijsbegeerte

Hoe een gelovige 10 denkfouten maakt

In het artikel van Charles van den Broek dat vorige week op deze website verscheen, vielen mij ten minste 10 denkfouten op. Ik wijs ze graag even voor u aan.

"Het artikel van Van den Broek bevat 10 cruciale denkfouten."

Charles van den Broek beschuldigt atheïsten ervan zich zonder fatsoen en innerlijke beschaving op te stellen tegen gelovigen, in het bijzonder tegen christenen. Hij maakt ten minste de volgende 10 fouten:

 

  1. Van den Broek stelt vast dat D66 zich hard maakt voor het invoeren van meer koopzondagen. Correct. Hij stelt echter dat het doel hiervan is om ‘de christelijke rustdag om zeep te helpen’. Daar heb ik echter nooit iemand over gehoord. Ik dacht altijd dat de ratio achter de koopzondagen iets met vrije markt te maken had. Dat er christenen zijn die niet gelukkig zijn met koopzondagen, is slechts bijzaak. Van den Broek presenteert dit echter als het doel van de maatregel. Dat lijkt mij onjuist.

  2. Hetzelfde geldt voor de poging van D66 en de VVD om van het ‘speciaal onderwijs’ af te komen. (Hij bedoelt: bijzonder onderwijs; speciaal onderwijs is onderwijs voor mensen met een beperking; bijzonder onderwijs is onderwijs op een bepaalde levensbeschouwelijke leest geschoeid.) Het is waar dat het afschaffen van het bijzonder onderwijs bij gelovigen niet op veel steun kan rekenen, maar, mits goed onderbouwd, lijkt het mij eigen aan de democratie dat er soms een onwelgevallig standpunt de revue passeert. Bovendien zit er natuurlijk, zelfs voor gelovigen, best wel wat in om het geloof alleen binnenshuis te beoefenen. Sterker nog, dat erkent Van den Broek later in zijn artikel ook. Wat is dan het probleem?

  3. Daarna beklaagt hij zich over het feit dat de SGP haar subsidie in moet leveren vanwege haar – overigens door hem ook afgekeurde – vrouwenstandpunt. Wat hij er niet bij vertelt, is dat de dreiging om de subsidie te verlenen is ontstaan ten gevolge van een kleine belangenvereniging (het Proefprocessenfonds Clara Wichmann) en een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Daar heeft de Nederlandse politiek verder weinig mee te maken.
  4. Het centrale punt in de eerste alinea van zijn artikel is niet zozeer dat de christelijke waarden wenselijk zijn, maar dat atheïsten er bewust op uit zijn om de christenen te schofferen. In zijn laatste opmerking spreekt hij zichzelf echter tegen. Hij schrijft: ‘[...] christelijke feestdagen afschaffen in een poging de slavernij weer in te voeren, pardon, de 24-uurseconomie te stimuleren.’ Los van de vraag of hiermee niet de slachtoffers van de slavernij geschoffeerd worden, is dit in tegenspraak met wat hij poogt te onderbouwen. Het doel van het voorgenomen beleid is namelijk juist niet het schofferen van christenen, maar het stimuleren van de 24-uurseconomie. (Wat je daar dan weer van vindt, is een hele andere, seculiere discussie.) Dat christenen hier niet blij mee zijn, is wederom slechts een gevolg, maar geen doel op zich.

  5. Van den Broek beschuldigt ongelovigen ervan dat zij zich ten onrechte bemoeien met het gedrag van de kerk. De bemoeienis is echter in veel gevallen niet verwonderlijk: kerk en staat houden zich vaak met dezelfde thema’s bezig (koopzondagen, abortus, herverdeling van welvaart, etc.) dus het is zeer aannemelijk dat zij vroeg of laat een verschillend standpunt innemen over hetzelfde thema. Het probleem is alleen dat de politiek de macht heeft om ook daadwerkelijk iets te veranderen. Het verbieden van koopzondagen mag dan religieus gemotiveerd zijn, het blijft een beslissing van de volksvertegenwoordiging. Dan dringt de vraag zich op: wie bemoeit zich dan met wie? Ik heb in politiek Den Haag namelijk nog nooit iemand iets horen zeggen over wat nu precies de juiste interpretatie van een bepaalde passage uit de Bijbel is, of hoe men aan het geloof zingeving kan ontlenen. Dat zijn interne aangelegenheden van de kerk, en daar zal geen ongelovige zich mee bemoeien.

  6. Daarna merkt Van den Broek op dat deze bemoeienis zich hoofdzakelijk uitstrekt tot de christenen, en niet tot – bijvoorbeeld – de Indiase premier die een homofobe opmerking maakt. Op zich heeft hij een punt dat christenen in dit land minder ontzien worden dan moslims, maar zijn onderbouwing gaat op twee plaatsen mank. Ten eerste is het voorbeeld van de Indiase premier totaal betekenisloos: de Indiase premier oefent – anders dan Nederlandse christenen – geen invloed uit op ons beleid, dus het belang om hem te bekritiseren is een stuk kleiner. Ten tweede zijn er door de loop van de geschiedenis een heleboel christelijke tradities in onze regelgeving ingebakken, die nu mogelijk worden afgeschaft. De zondagsrust is nu eenmaal een uitvinding van de christenen, dus wie de zondagsrust wil afschaffen, zal het met hen aan de stok krijgen. Als ons land de afgelopen honderden jaren door moslims was bestuurd, hadden zij hun heilige dagen als rustdagen ingesteld, en hadden zij zich hard gemaakt tegen de afschaffing daarvan. Zo is de geschiedenis echter niet gelopen.

  7. Daarna slaat Van den Broek de spijker op zijn kop. Hij schrijft: ‘Geloven is in deze visie niet meer dan een hobby, en hoort achter de voordeur.’ Helemaal mee eens, zou ik zeggen. Hij maakt zijn redenering echter niet af. Hij bedoelt volgens mij te schrijven: als we akkoord gaan met het voorgaande, verwordt het geloof tot een hobby, en dat kan niet, dus het voorgaande is onjuist. Dan mijn vraag: waarom zou het geloof niet een hobby kunnen zijn? Ik zou het niet weten, maar het is ook niet mijn stelling. Van den Broek weet het blijkbaar ook niet, want anders zou hij het als het centrale argument van zijn betoog kunnen opvoeren.

  8. Vervolgens wordt een aantal gevolgen gepresenteerd van het atheïstisch wereldbeeld: werkende moeders, echtscheidingen, preventief aborteren en euthanasie als oplossing voor alles. Allemaal onderwerpen om een avond interessant over te discussiëren, ook binnen de atheïstische gemeenschap, maar daar gaat het nu niet om. Als afsluitende zin schrijft Van den Broek: ‘Wie uitgaat van een wereld zonder God, krijgt precies dat; een goddeloze wereld.’ Deze zin wekt de indruk dat ‘uitgaan van een wereld zonder God’ een keuze is. Maar is dat zo? God bestaat, of hij bestaat niet. Als hij bestaat, doen we er goed aan om naar zijn wensen te handelen. Als hij niet bestaat, is dat alleen maar tijdverspilling. Als je op basis van allerlei redenen tot de conclusie gekomen bent dat hij niet bestaat, is het toch onzin om te besluiten: maar ik ga nu geloven dat hij wel bestaat, want dan ziet de wereld er mooier uit. Overigens is interessant dat Van den Broek vanaf dit punt niet alleen betoogt dat ongelovigen fatsoenlijker met gelovigen moeten omgaan, maar meer dat gelovigen gewoon gelijk hebben. Dat is echter een heel ander standpunt, dat bovendien geenszins steun biedt aan de centrale stelling van het artikel.

  9. Wat daarna gesteld wordt, is ontegenzeggelijk waar: als iedereen, zoals de Bijbel voorschrijft, slechts één seksuele partner in zijn leven erop nahoudt, is de AIDS-epidemie zo de wereld uit. Dus, stelt Van den Broek, is het verbod op condoomgebruik niet de oorzaak van deze epidemie. Dat is echter onjuist: er kunnen immers verschillende oorzaken aan een probleem ten grondslag liggen. Condoomgebruik verbieden heeft alleen zin als je zeker weet dat mensen slechts één seksuele partner hebben, en hoewel dat ook door de Katholieke Kerk voorgeschreven wordt, gaat dat gebod wel volledig voorbij aan de menselijke natuur. Het stimuleren van condoomgebruik werkt waarschijnlijk net zo goed.

  10. Ten slotte wordt opgemerkt dat vroeger, toen men meer geloofde, alles beter was. Dat roept twee vragen op: was vroeger alles beter? En: kwam dit door het geloof? Om met de eerste vraag te beginnen: vroeger reden de treinen op tijd, en nu niet meer, dus dat was vroeger beter, stelt Van den Broek. Ik heb geen statistieken opgezocht over vertragingen in de jaren ’60, en om eerlijk te zijn vraag ik mij af of die te vinden zijn. Het bijhouden van statistieken hierover lijkt me immers typisch een ‘uitwas’ van de door hem gehekelde moderne tijd. Hij vergeet er echter bij te vermelden dat er tegenwoordig veel méér treinen rijden. Men zou in de jaren ’60 waarschijnlijk de vingers aflikken bij de geavanceerde technieken waarmee we tegenwoordig het treinverkeer structureren. De tweede vraag, of een verandering van accuratesse in de dienstregeling ook het gevolg is van de secularisatie, blijft geheel onbesproken. Persoonlijk zie ik de link niet.

Ik realiseer mij goed dat ik met dit – mijns inziens best fatsoenlijke – verhaal de heer Van den Broek waarschijnlijk niet erg gunstig stem. Moge het hem echter uitnodigen de leemtes in zijn argumentatie te herstellen, en de volgende keer zijn stukken van een betere onderbouwing te voorzien. 

Trefwoorden:
GodsdienstDebat

Deel

met uw netwerk:
Opiniestukken van: Vincent de Haan, Student rechten, psychologie en wijsbegeerte
Hoe een schrijver over geloof en wetenschap acht fouten maakt - 25 maart 2013
Hoe een gelovige 10 denkfouten maakt - 24 februari 2013
Maak boetes inkomensafhankelijk, niet de zorg - 27 oktober 2012
Geweld hoort nu eenmaal bij het politiewerk - 28 december 2011



Meer opiniestukken:

Bestel online:

Zo wordt u opiniemaker

In dit boek leert u in tien stappen denken en schrijven als een journalist

 

Alleen nog verkrijgbaar via bol.com


Schrijftip van de week

Week 50
Practice what you preach
> Meer