Natuur en Milieu
31 mei 2011 | door: Willem de Bruin, journalist en oud-commentator van de Volkskrant

De natuurlobby moet duidelijker zeggen wat ze wil

Het kabinet bezuinigt fors op natuur. Henk en Ingrid gaan liever naar de meubelboulevard dan naar het bos. Toch lijkt de natuurlobby dat niet erg te vinden. Een algehele verontwaardiging ontbreekt.

"Boeren moeten weer in staat worden gesteld hun rol als beheerders van het landschap waar te maken"

Een protestdag afgelopen januari bracht maar weinig mensen op de been en vervolgacties zijn uitgebleven. Kort na de aankondiging van de bezuinigingen werd bekend dat het ledenaantal van een organisatie als Natuurmonumenten vorig jaar opnieuw is teruggelopen. Alle natuur- en milieuorganisaties bij elkaar hebben nog altijd een kleine vier miljoen leden, maar op de een of andere manier lukt het niet die te mobiliseren.

 

Nu ook veel huishoudens moeten bezuinigingen, is het logisch dat kritisch naar allerlei lidmaatschappen wordt gekeken. Dan komt het erop aan hoe de sterk de binding is tussen de betrokken organisaties en hun achterban. En in hoeverre de bezorgdheid van de burger over de natuur en het milieu verder gaat dan het periodiek overmaken van een donatie om het kwade geweten te sussen.

 

De grootste klappen kreeg de Vereniging Natuurmonumenten, welke organisatie het ledental in tien jaar tijd met 21 procent zag teruglopen tot 767.000. Daarmee is het nog altijd een van de grootste maatschappelijke organisaties in Nederland en de grootste particuliere grondbezitter. Het is bekend verschijnsel: hoe dichter een belangenclub aanschurkt tegen de macht hoe groter het risico dat men vervreemdt van de achterban. Tijd die voorheen werd gestopt in acties en campagnes, gaat voortaan op aan overleg met overheden over het beleid. Bij het publiek ontstaat dan al snel de indruk dat de overheid zich kennelijk over het probleem heeft ontfermd.

 

Barricaden

Maar hoe zou de zichtbaarheid moeten worden vergroot? Door duidelijker stelling te nemen en vaker de barricaden op te gaan, luidde een voor de handliggend advies. Maar met welke inzet? Die vraag gaat niet alleen Natuurmonumenten aan. Als het over de bescherming van de natuur gaat, over welke natuur hebben we het dan eigenlijk?

 

De voortdurende controverse over het beheer van de Oostvaardersplassen  - in beheer bij Staatsbosbeheer - maakt duidelijk dat niet iedereen dezelfde idee heeft bij natuur. Wilde natuur is prachtig, maar we willen liever niet weten dat het in die natuur ook echt wild toegaat. Trekt het publiek zich het lot aan van ieder individueel dier, voor biologen en ecologen gaat het om het ecosysteem als geheel. Sterfte hoort bij de natuur net zo goed als de geboorte van nieuw leven. Wie alle individuele dieren zo lang mogelijk in leven wil houden, verzwakt de populatie en ondermijnt daarmee uiteindelijk het voortbestaan van de soort.

 

Hongerige runderen

De roep om het bijvoeren van hongerige runderen in de Oostvaardersplassen is in deze benadering een bewijs van onze vervreemding van de natuur. We hebben het hier immers niet over een dierentuin, maar over een van Nederlands weinige ‘echte’ natuurgebieden. De Oostvaardersplassen laten zien wat er gebeurt als je de natuur zijn gang laat gaan en dat zijn we niet meer gewend.

 

De Oostvaardersplassen zijn het belangrijkste experiment met wat in het debat nieuwe natuur heet. Het concept is een uitvloeisel van het rotsvaste geloof van de Nederlander in de maakbaarheid van het land waar hij woont. Nergens anders heeft de mens zo zijn stempel op het landschap gedrukt. En nergens anders vindt je mede als resultaat daarvan op zo’n klein oppervlak zo’n grote variatie aan landschappen. Door die variatie ontstonden ook grote verschillen in leefomstandigheden voor plant en dier met als resultaat dat juist veel landbouwgebieden een grote soortenrijkdom kenden. De bevolkingsgroei en de schaalvergroting in de landbouw eisten echter hun tol. Langzaam maar zeker werd het landschap eenvormiger. Natuurgebieden werden steeds meer eilandjes in een genivelleerde omgeving. De zorgen daarover hebben geresulteerd in een typisch Nederlands antwoord: dan scheppen we nieuwe natuur.

 

De nieuwe natuur is nauw verbonden met de veelbesproken Ecologische Hoofdstructuur, het belangrijkste doelwit van de bezuinigingen. Uit de naam van dit concept spreekt een wetenschappelijk-technocratisch benadering die niet weinig heeft bijgedragen aan de verwijdering tussen de natuurbescherming en het publiek. Het idee erachter is helder. De natuurgebieden die er nog zijn, liggen vaak ver uit elkaar en zijn ieder op zich te klein om voldoende leefruimte te bieden aan alle soorten die je daar zou wensen. Door die gebieden door middel van ‘robuuste corridors’ met elkaar te verbinden, creëer je die ruimte alsnog. Onderzoek heeft uitgewezen dat de biodiversiteit in een netwerk van aaneengeschakelde natuurgebieden groter is dan in geïsoleerde gebieden.

 

Biodiversiteit

Biodiversiteit – het aantal soorten planten en dieren in een bepaald gebied - is een ander begrip dat nauw met de nieuwe natuur is verbonden. Wereldwijd holt de biodiversiteit nog steeds achteruit. Nederland is via Europese richtlijnen en internationale verdragen verplicht zijn bijdrage te leveren aan de instandhouding van die biodiversiteit. Ook hier openbaart zich een kloof tussen het beeld dat het publiek van de natuur heeft en wat wetenschappers en beleidsmakers daaronder verstaan. Gaat het de burger vooral om de rust die de natuur hem verschaft en het esthetisch genoegen dat hij beleeft aan een mooi landschap - voor de ecoloog en bioloog telt vooral de natuurwetenschappelijke waarde, waarvoor het aantal soorten dat ergens voorkomt de belangrijkste parameter is.

 

Het gevolg kan zijn dat waar de leek genoegen beleeft aan een fietstocht door de polder, de bioloog dit landschap als een ecologische woestijn beschouwt en het liefst de dijken zou doorsteken om er een mooi stuk ‘nieuwe natuur’ te creëren. Dit gebeurt dan ook steeds vaker. Iedere akker die wordt ‘teruggegeven’ aan de natuur wordt gevierd als een overwinning. En steeds vaker stuit dit op weerstand van de plaatselijke bevolking die juist hecht aan het historisch gegroeide cultuurlandschap.

 

In een land dat bijna geheel door mensenhanden is gemaakt, is per definitie geen scherpe grens tussen natuur en cultuur te trekken. Zelfs de Veluwe is uiteindelijk een cultuurlandschap, in zijn huidige gedaante daterend uit de negentiende eeuw toen de strijd werd aangebonden met de oprukkende zandverstuivingen, die op hun beurt het gevolg waren van roofbouw in een verder verleden. De bioloog Victor Westhoff , die in de eerste decennia na de oorlog een voortrekkersrol speelde in het debat over de natuurbescherming, gebruikte daarom liever de term ‘halfnatuur’, waartoe hij ook sommige agrarische landschappen rekende. Landschappen die zouden verdwijnen als de boer ze niet zou onderhouden.

 

Verwarring

Voor de adepten van nieuwe natuur is de boer juist de kwade genius. Volgens de bioloog Frans Vera, geestelijk vader van de Oostvaardersplassen, moeten wij ophouden het agrarische cultuurlandschap te verwarren met natuur. In de door hem uitgesproken H.J. Schoo-lezing herhaalde Vera vorig jaar nog eens zijn boodschap. Ooit was Europa één groot aaneengesloten natuurgebied. Door het in cultuur brengen van dat oorspronkelijke, natuurlijke landschap zijn wij het ijkpunt voor wat natuur is, kwijtgeraakt. Omdat niemand meer weet hoe de natuur er oorspronkelijk uitzag, definieert elke nieuwe generatie opnieuw wat natuur is. En omdat het landschap ondertussen in kwaliteit verder achteruit is gegaan, komt de lat zo steeds lager te liggen en ziet de burger iedere boom voor natuur aan. Al 25 jaar strijdt Vera, eerst als beleidsambtenaar op het ministerie van Landbouw, later bij Staatsbosbeheer, daarom voor herstel van de ‘natuurlijkheid’ van het Nederlandse landschap. 

 

Maar wat is het ijkpunt voor wat dan wel ‘echte’ natuur is? Een kleine vijftien jaar geleden poneerde Vera de stelling dat Nederland oorspronkelijk een soort parklandschap was - bos afgewisseld door open ruimten begraasd door oerrunderen. Dat was vóór het moment dat de eerste boeren hun schop in de grond zetten. Het kwam hem op veel kritiek te staan. Er zou veel te weinig bewijs zijn voor die stelling en daarmee ook voor de rechtvaardiging achter de (her)introductie van dieren als de veelbesproken grote grazers. We kunnen alleen maar speculeren over hoe Nederland er een paar duizend jaar geleden precies uitzag. 

 

Plaag

Ook bestaande natuurgebieden worden niet met rust gelaten. Ooit vormden de zandverstuivingen op de Veluwe een ware plaag. Zij waren het gecombineerde gevolg van ontbossing en het afplaggen van heidevelden. Nu worden kosten noch moeite gespaard de nog aanwezige zandverstuivingen niet alleen in stand te houden, maar zelfs de gelegenheid te geven zich weer uit te breiden. Elders zorgen kuddes Schotse hooglanders er voor dat de hei niet verdwijnt. Zonder deze menselijke ingrepen zou de Veluwe op natuurlijke wijze één groot dennenbos worden, maar dat is hier niet gewenst. De gevarieerde aanblik die de Veluwe nu biedt, is ongetwijfeld superieur aan het alternatief van een groot naaldbos. Maar met natuurlijkheid heeft het weinig te maken.

 

Van het beschermen en beheren van waardevolle gebieden, is het natuurbeleid gaandeweg opgeschoven naar het scheppen van ons eigen ideaalbeeld van de natuur. Welk ijkpunt ook wordt gekozen; het gaat in alle gevallen om een constructie van hoe wij denken dat natuur eruit moet zien. Dat kan aantrekkelijke en waardevolle landschappen opleveren, maar hun ‘natuurlijkheid’ blijft relatief. Het is uiteindelijk de mens die door weilanden om te ploegen, het waterpeil te verhogen of juist te verlagen, dijken door te steken of heuvels op te werpen de voorwaarden schept en daarmee bij voorbaat richting geeft aan de ontwikkeling van de natuur. Wat nog wel eens uit het oog wordt verloren is dat de Oostvaardersplassen deel uitmaken van een kunstmatig landschap bij uitstek: de Flevopolders.

 

Het Nederlandse landschap wordt weliswaar al eeuwenlang vormgegeven door de mens, maar de boeren die daarvoor in de eerste plaats verantwoordelijk zijn, hadden nooit een bepaald beeld van het landschap voor ogen. Zij deden wat ze gegeven de plaatselijke omstandigheden vonden dat ze moesten doen om een zo hoog mogelijk rendement uit hun bedrijf te halen. De natuur was een bijproduct, geen doel op zich. 

 

Nivelleerder

Inmiddels is de boer van een schepper van natuurwaarden de grote nivelleerder van het landschap geworden. De protesten tegen nieuwe natuur zijn niet in de laatste plaats een roep om behoud van het historisch gegroeide cultuurlandschap. Een verband met de discussie over de Nederlandse identiteit – die mede besloten ligt in dit landschap - ligt voor de hand. Met de aanleg van nieuwe natuur kan misschien wel de schade in termen van soortenrijkdom worden gecompenseerd, maar niet de belevingswaarde van het oude landschap.

 

Staatssecretaris Bleker van Natuurbeheer heeft gelijk als hij stelt dat we af moeten van de harde scheiding tussen natuur en boerenland. Het betekent wel dat de boer weer in staat moet worden gesteld zijn rol als beheerder van het landschap waar te maken. Dat is onder de huidige omstandigheden een illusie en het zou Bleker sieren als hij dat óók onder ogen zag om niet de indruk te wekken dat het inderdaad alleen om een bezuiniging gaat. De discussie moet daarom niet alleen over de voltooiing van de Ecologische Hoofdstructuur gaan, maar ook over de toekomst van de landbouw. Het naoorlogse (Europese) beleid heeft de schaalvergroting in en de intensivering van de landbouw slechts gestimuleerd. Het bizarre gegeven dat Nederland als een van de kleinste en dichtstbevolkte landen in de wereld tegelijkertijd een van de grootste agrarische exporteurs is, spreekt boekdelen.

 

De kritiek op het Europese landbouwbeleid mag echter niet uit het oog doen verliezen dat zonder Europese subsidies de traditionele, grondgebonden landbouw vermoedelijk helemaal uit Nederland zou verdwijnen. Dit roept vragen op die verder reiken dan de definitie van natuur. In hoeverre willen wij voor onze voedselvoorziening afhankelijk zijn van het buitenland en welke schade richt de voedselproductie dáár aan? Welke prijs zijn wij - als gemeenschap en als individuele consument -  bereid te betalen om de boer in de gelegenheid te stellen zijn bedrijf uit te oefenen zonder daarvoor roofbouw te plegen op de natuur? Dan gaat het niet om subsidies voor boeren die bereid zijn om vogelnestjes heen te maaien – dat blijven lapmiddelen in het licht van de krachten die de mondiale landbouwproductie beheersen.

 

Het moge duidelijk zijn dat dit kabinet deze discussie zo lang mogelijk uit de weg zal willen gaan. Een extra reden voor de natuurbescherming de handschoen op te pakken.

Trefwoorden:
Natuur en Milieu

Deel

met uw netwerk:
Opiniestukken van: Willem de Bruin, journalist en oud-commentator van de Volkskrant
De natuurlobby moet duidelijker zeggen wat ze wil - 31 mei 2011



Meer opiniestukken:

Bestel online:

Zo wordt u opiniemaker

In dit boek leert u in tien stappen denken en schrijven als een journalist

 

Alleen nog verkrijgbaar via bol.com


Schrijftip van de week

Week 50
Practice what you preach
> Meer