Politiek
19 juni 2013 | door: Ewoud Jansen, Econoom

Een goed pensioen? Iemand anders moet het voor je doen!

Onlangs kwamen drie paarsgetinte jongeren onder aanvoering van Ilja Boelaars met een voorstel voor een nieuw pensioenstelsel. Op zich nuttig, maar minder belangrijk dan het lijkt.

"Als individu kun je sparen voor later. Maar als maatschappij als geheel is dat minder makkelijk."

Het voorstel bepleit dat we individueel, en niet collectief gaan sparen voor later. Hoog tijd lijkt het. Want die huidige pensioenregelingen staan stijf van op collectieve leest geschoeide sleetse vakbondsidealen als solidariteit. Weg ermee dus. Geen collectieve pensioenpot meer maar iedereen zijn eigen persoonlijke rekening waarop staat hoeveel je hebt. Je eigen pot. Moet iedereen met zijn poten vanaf blijven. Maximale keuzevrijheid en flexibiliteit. Prachtig allemaal maar helaas valt die vrijheid bij nadere lezing wel tegen. En hoe we het verder ook willen regelen, er zijn zaken waar geen enkel plan iets aan kan veranderen.

 

Wat betreft pensioenstelsels zijn er in de basis twee varianten: een omslagstelsel en een kapitaaldekkingsstelsel. Bij het eerste worden de pensioenuitkeringen betaald uit de lopende belastingopbrengsten. Bij het tweede wordt er gespaard voor de latere pensioenuitkeringen. Dat klinkt natuurlijk veel verstandiger en daarom heeft Nederland (behoudens de AOW) voor dat systeem gekozen. Wij zijn een braaf volkje. Maar hoe wezenlijk is het verschil met een omslagstelsel? Natuurlijk kun je als individu voor later sparen. Maar kan dat collectief, als maatschappij als geheel?

 

Stellen wij ons eerst een samenleving met overheid, maar zonder geld, zonder kapitaalgoederen en zonder buitenlandse betrekkingen voor. Er is alleen sprake van interne ruilhandel in collectieve – en consumptiegoederen. Wil een land collectief sparen dan betekent dit dat een deel van de nationale fysieke productie aan goederen ergens wordt opgeslagen zodat het later kan worden geconsumeerd. Zoals Jozef de Farao adviseerde te doen voor de zeven magere jaren die hij voorzag. De goederen zijn dan beschikbaar voor als het door slechte oogsten en andere narigheid wat minder gaat. Of als er door vergrijzing minder kan worden geproduceerd. Maar als we aannemen dat alle goederen die worden geproduceerd ook worden geconsumeerd dan kan deze samenleving als geheel niet sparen. Als deze samenleving mensen een pensioen krijgen dan betekent dat ze goederen krijgen van hen die werken. De afgedragen goederen zijn te zien als een belasting. Er is een omslagstelsel op goederen en diensten basis.

 

Als we geld in het verhaal betrekken dan krijgen pensioengerechtigden een uitkering waarmee ze goederen kopen. Die uitkering wordt betaald uit afdrachten van werkenden en of we die als belasting of als spaarpremie oormerken maakt niet veel uit. Natuurlijk kun je bij het omslagstelsel opmerken dat dit alleen gaat zolang er genoeg belastingbetalers aa n het werk zijn om de volgende lichting te laten genieten van een leuke oude dag. Maar dat is ook zo met een kapitaaldekkingsstelsel. Er kan dan wel een grote zak geld aan de zijlijn staan, maar als er (te) weinig werkenden overblijven om productie te draaien wordt het toch nog een karige oude dag. Tenzij we natuurlijk besluiten dat die zak geld ‘welvaartsvast’ is met als gevolg dat we een groter deel van de productie aan gepensioneerden kunnen geven. De facto hetzelfde als een belastingverhoging bij een omslagstelsel.

 

Stellen we nu twee, qua output identieke samenlevingen voor met relatief veel jongeren maar met verschillende pensioenstelsels. In het land met een omslagstelsel zouden de belastingen om de pensioenen te kunnen betalen relatief laag zijn. Maar met het kapitaaldekkingsstelsel zijn de jongeren massaal aan het sparen voor later. De consumptie van burgers is daardoor in het tweede land lager dan in het eerste. Maar de feitelijke productie is in beide landen gelijk. Wat burgers in land twee door het sparen minder consumeren zal via het kanaal van de overheid geconsumeerd moeten worden. Bij behoudens pensioenbelasting gelijke belastingafdrachten zal dus de overheid in het land met een kapitaaldekkingsstelsel een tekort krijgen. Een tekort dat uiteraard eenvoudig gefinancierd kan worden met de spaartegoeden in de pensioenpotten.

 

In deze eenvoudige economieën is er geen wezenlijk verschil tussen de twee stelsels. Het pensioenvermogen is te zien als de contante waarde van de aanspraak op toekomstige productiviteit door toekomstige gepensioneerden. Natuurlijk is er ook met een omslagstelsel sprake van toekomstige productie die nu een bepaalde (contante) waarde heeft. Alleen zie je toekomstige aanspraken daarop door gepensioneerden niet terug op de balans van een samenleving die het zo regelt.

 

Het verhaal wordt complexer als we het buitenland erbij betrekken. Een land kan nu minder consumeren dan produceren door het overschot aan het buitenland te verkopen. Ten opzichte van het buitenland kan er door een samenleving als collectief wel gespaard worden. De tegoeden die zo ontstaan kunnen op enig moment weer ingeruild worden voor goederen. Theoretisch zouden dan, zelfs wanneer een land volledig met pensioen is, alle goederen en diensten uit het buitenland betrokken kunnen worden. Dat betekent dat het buitenland dan minder consumeert dan produceert. Ook de introductie van kapitaalgoederen maakt de zaak complexer. De vraag of en hoe een pensioenstelsel de opbouw van de kapitaalgoederenvoorraad – en daarmee de productiecapaciteit van een land beïnvloedt is relevant maar voer voor een uitgebreidere analyse.

 

Maar welk stelsel ook wordt gehanteerd, genieten van een pensioen is uiteindelijk niks anders dan genieten van de producten en diensten die anderen in het hier en nu voortbrengen. Het is een herverdelingsmechanisme. Die realiteit verandert ook door het plan van Boelaars c.s. niet. Om te zorgen dat we ook met een verder vergrijzende bevolking een welvarend land blijven is het essentieel dat we de tijd van de nog werkende bevolking beter leren gebruiken. Debacles als met de Fyra kunnen we ons met een krimpende beroepsbevolking steeds minder goed veroorloven. De aandacht richten op de productiviteit en effectiviteit van de werkende bevolking is uiteindelijk van groter belang dan het ontwerpen van pensioenstelsels. Want als de nog werkenden teveel bezig zijn met onzin en inefficiency valt er überhaupt niet veel te veel verdelen, ongeacht hoe het pensioenstelsel er uitziet.

Trefwoorden:
GeneratiesPolitiek

Deel

met uw netwerk:


Meer opiniestukken:

Bestel online:

Zo wordt u opiniemaker

In dit boek leert u in tien stappen denken en schrijven als een journalist

 

Alleen nog verkrijgbaar via bol.com


Schrijftip van de week

Week 50
Practice what you preach
> Meer