Media
30 juni 2013 | door: Beer Bergman, Trainer en speaker sociale media

Laten we ophouden het internet overal de schuld van te geven

De angst om af te dalen naar de diepe duisternis van de oppervlakkigheid belemmert ons om kritische vragen te stellen als het gaat om de invloed van internet op onze maatschappij. Nuances verdwijnen, we worden dommer en asocialer, burn-outs liggen in het verschiet. Maar is dit wel zo?

"Het gebruik van technologieën beïnvloedt gedrag, maar gedrag beïnvloedt ook het gebruik en de technologische ontwikkelingen."

Op 16 juni verscheen er een opiniestuk van Bart Smout in de Volkskrant waarin hij stelt dat de huidige beeldcultuur en het intensieve gebruik van technologische apparatuur belangrijke oorzaken zouden kunnen zijn van burn-outs bij jongeren. Vervolgens verschenen er twee artikelen over de invloed van iPad-gebruik bij jonge kinderen, naar aanleiding van het in Nederland te verschijnen boek 'Digitale Dementie' van de Duitse psychiater en psycholoog Manfred Spitzer.

  

Spitzer stelt dat we kinderen te vroeg en teveel toegang geven tot het internet, en dat de leerprestaties van kinderen daaronder lijden. Ik heb het boek van Spitzer nog niet gelezen, maar wel een aantal andere Frans en Engelstalige oeuvres die de problematiek vanuit dezelfde hoek benaderen. Als sociale media trainer loop ik elke dag weer tegen het feit aan dat velen zich te weinig de vraag stellen: “is dat wel zo?”.

 

Worden we dommer, asocialer, oppervlakkiger door het internet? Lijden we aan FOMO, aan narcisme, ondergaan onze hersenen schade door het internet? Het is tijd voor kanttekeningen bij de stellingen van de drie genoemde artikelen die de afgelopen weken in de Volkskrant verschenen.

 

Over mythes en beeldvorming
Er wordt in de wandelgangen veel afgegeven op de generatie die alsmaar op het internet rondhangt: ze kunnen zich slechter concentreren, ze zappen, ze willen alles en alles tegelijkertijd en oh ja, ze lezen geen boeken meer. Al deze redeneringen gaan ervan uit dat het vroeger beter was: vroeger lazen we veel, konden we ons nog concentreren en waren we tenminste nog sociaal. De link met internet is snel gelegd.

 

Onder de titel "De mogelijkheden zijn onbeperkt maar het menselijk lichaam is dat niet" stelt Smout:"Met zijn hoofd in de virtuele wolk ziet de hedendaagse jongere niet dat zijn lichaam langzaam opbrandt. Want uiteindelijk zijn we niet gemaakt om duizend dingen tegelijkertijd te doen. 'People can't multitask very well, and when people say they can, they're deluding themselves,' aldus Earl Miller, neurowetenschapper aan het MIT."

 

Maar de uitspraak van Miller was iets genuanceerder: hij zegt dat, hoewel je denkt dat je al die verschillende dingen tegelijkertijd doet, je eigenlijk heen en weer switcht tussen de verschillende activiteiten. En dat kost steeds wat tijd, ook al gaat het om milliseconden. Maar Miller stelt ook dat hoe meer we het oefenen, des te korter de tijdsinspanning is die het kost om van de ene activiteit naar de andere te switchen. En dat jongeren waarschijnlijk over meer capaciteiten beschikken om die mogelijkheid verder te ontwikkelen. En daarbij komt: "The statement 'one cannot do two tasks at once' depends on what is meant by 'task' (Donald Broadbent) : zijn eten en muziek luisteren 'taken' in de juiste zin van het woord?

 

Behalve Miller haalt Smout bij zijn stelling ook Nicolas Carr aan die stelt dat de multitasking leidt tot een verlies van concentratie en tot het dommer worden van mensen. Carr aanhalen als referentie is een hachelijke zaak, want zijn stellingen zijn door velen onderuit gehaald. Overigens is Carr niet de enige die allerlei negatieve verschijnselen toeschrijft aan het internet, of iets breder, aan de nieuwe technologieën die connectiviteit en mobiliteit bevorderen.

  

Daartegenover staan echter verschillende andere onderzoeken, zoals die van de hierboven genoemde Earl K. Miller van het MIT, die juist duiden op de relatie tussen de handelingen die samenhangen met het gebruik van tablets, smartphones en computers aan de ene kant en een intensievere hersenactiviteit en verhoogde capaciteiten anderzijds. Zo zouden chirurgen baat hebben bij het spelen van video spelletjes, omdat het hun prestaties verhoogt en het aantal fouten zou verminderen. Neurowetenschappers zeggen dat te kunnen zien aan de activiteiten die zich in de verschillende hersendelen ontwikkelen tijdens en na de testen.

  

Je zou kunnen stellen dat de beoordeling van het gebruik van technologie en de competenties die we daarmee ontwikkelen (moeten ontwikkelen) vooral moeten worden gezien in het licht van wat we ermee zouden kunnen doen. Wat de maatschappij nodig heeft of nodig zou kunnen hebben, zou je mee kunnen nemen in je overwegingen.  

  

Waarom hebben we geen spoorboekjes meer?
Eén ding is zeker: mijn opa had tenminste nog een geweldig geheugen, want hij had tenminste nog uitstekend onderwijs genoten... Hij werd conducteur en kende alle stations van Nederland uit zijn hoofd. Compleet met de vertrek- en aankomsttijden van alle treinen. Dat was nog eens wat je noemt praktische kennis die goed van pas kwam in zijn beroep.

  

Tegenwoordig verwacht geen mens meer van de conducteur op de trein dat hij alle stations, aankomst- en vertrektijden uit zijn hoofd kent. Dat zou ook weinig relevant zijn, want enerzijds rijden er veel meer treinen dan vroeger (wat het onmogelijk maakt om ze allemaal te kennen) en anderzijds zijn de uitdagingen die daarmee samenhangen (de balans tussen realiteit en verwachtingen, meestal uitgedrukt in vertragingstijd) veel complexer geworden. Het uit je hoofd kennen van die gegevens zou nog maar heel weinig verband houden met de realiteit. En bovendien is het niet nodig, want we hebben er technologieën voor ontwikkeld.

  

Heden ten dage verwachten wij van een conducteur dat hij zijn mobiele computer kan hanteren, dat hij naar mensen kan luisteren en flexibel en creatief kan reageren op wat hij hoort en stressbestendig is, want hij komt meer agressiviteit tegen dan vroeger. Even voor de duidelijkheid: ik hield van mijn opa, maar luisteren was niet zijn sterkste punt. Gewoon omdat je vroeger naar je opa luisterde, en niet andersom, want dat hoorde bij de sociale gebruiken van die tijd.

 

De burger en zijn smartphone

Niet alleen de conducteur maar ook de burger weet hoe hij met een smartphone kan omgaan, zodat hij snel op de app van de NS kan opzoeken hoe het zit met de trein en hoe hij op moment X het beste van A naar B kan komen. En we gaan ervan uit dat hij in staat is om zijn vrienden, die hij fysiek of virtueel ontmoet in allerlei sociale kringen die sociale media heten, kan identificeren als medereizigers op traject D. Dan kan hij zelf wel bepalen of hij juist wil samen reizen of ze juist wil ontlopen. En oh ja, hij wil natuurlijk ook weten hoe het zit met de busverbinding of een taxi vanuit de trein kunnen reserveren.

 

Spoorboekjes zijn niet meer nodig omdat we applicaties hebben ontwikkeld en de dragers die daarbij horen. De kennis die mijn opa in zijn hoofd had was niet toereikend om die applicaties te kunnen ontwikkelen - daarvoor waren andere competenties nodig.

 

Ik denk niet dat er nog mensen zijn die terugverlangen naar het spoorboekje en alles wat daarmee samenhing. Of je het nou vooruitgang noemt of niet, er is geen weg terug meer mogelijk. We moeten dus goed nadenken over hoe we met deze technologieën zouden willen omgaan. We zouden moeten zorgen dat we onze jongeren opleiden om die technologieën te ontwikkelen. Waarbij ethische vraagstukken uitermate belangrijk zijn.

 

En als... onze hersenen zich nu eens niet zouden aanpassen aan de technologie, maar andersom?

Sebastian Dieguez (@twieguez), neurowetenschapper aan de universiteit van Fribourg heeft de vraag van wat de gevolgen van het internet en de communicatietechnologieën op ons brein zijn omgedraaid. Hij baseert zich in zijn onderzoek op het werk van Mark Changizi en Stanislas Dahaene, die zich afvroegen hoe het kan dat ons brein een aparte zone heeft voor alles wat met schrift te maken heeft, terwijl het schrift relatief nieuw is. De wetenschappers concluderen dat het schrift is aangepast aan de visuele zone, die ons in staat stelt de ruimtelijke informatie te verwerken en niet andersom. Diegeuz eigen onderzoek naar willekeurig handelen, naar aanpassing en creativiteit lijkt tot de conclusie te leiden dat onze hersenen zich niet aanpassen aan de snelheid van onze technologieën, maar andersom: we bouwen de technologieën die onze hersenen aankunnen en waarvan je dus zou kunnen veronderstellen dat we ze nodig of nuttig of leuk zouden kunnen vinden. Dat is een belangrijk verschil, want het geeft een andere plek aan de technologie: het is niet iets wat ons overkomt, maar we ontwikkelen het zelf.

 

Ik herinner me nog heel goed de eerste videoclips die ik in de jaren tachtig zag. Mijn toenmalige partner moest die monteren en wij hadden de grootste moeite om te kunnen zien wat er op het scherm gebeurde: we waren simpelweg niet in staat om de signalen te volgen en te interpreteren. Als we nu naar die videoclips zouden kijken, zouden we ze waarschijnlijk oersaai en traag vinden.

 

We kunnen meer, we willen meer en we passen onze technologieën aan die ontwikkeling aan. Dertig jaar geleden waren er dus mensen die die clips konden produceren omdat zij wel over de competenties beschikten om het te verzinnen en uit te voeren. Alleen omdat zij in staat waren om dat te doen, zijn wij nu in staat om ze te kijken en ook werkelijk te zien wat er op het scherm gebeurt. De conclusie daarvan zou kunnen zijn dat het belangrijk is dat de jongere generatie die competenties opbouwt, want alleen dan kunnen de ontwikkelingen plaatsvinden.

  

Ideologie, visie, ethiek en de noden van de toekomst
Het is de hoogste tijd om te kijken naar wat we in de toekomst nodig hebben. Op het vlak van technologie zou ik pleiten voor meer aandacht voor de filosofische en ethische vraagstukken die samenhangen met hoe we naar de relatie mens - technologie kijken. Laten we ons concentreren op de historie, het heden en de toekomst met de middelen en de gegevens die we hebben: filosofie, psychologie, ethiek, praktijk, onderzoeken, en een kritische geest die het debat niet uit de weg gaat. Onderwijs in ethiek, filosofie en informatica/technologie horen daar ontegenzeggelijk bij. En niet alleen voor jongeren!

  

In het artikel over Spitzer wordt een onderzoek uit Psychological Science aangehaald (zonder bronvermelding). Eerlijk gezegd geef ik minstens zoveel om mijn persoonlijke waarneming, zowel in de professionele als in de persoonlijke sfeer.

 

Mijn dochters zijn met een verschil van negen jaar geboren en de jongste is negen. Beiden hebben altijd een eigen computer en sinds kort een eigen tablet gehad en hebben onbeperkt toegang tot het internet. Beiden hebben maken op een andere manier gebruik van de technologieën (de jongste zit nog niet echt op sociale netwerken, want heeft het me nog nooit gevraagd). Als ze alle twee bij tijd en wijlen heel veel op het internet zitten, dan zijn dat altijd periodes geweest en heb ik geen psychologische disorders kunnen waarnemen. In tegendeel, de oudste heeft een groot sociaal observatie- en empatisch vermogen ontwikkeld en de jongste laat zich niet afleiden door het verschil tussen online en offline: voor haar is het één sociale en culturele ruimte, een flow waarbinnen zij navigeert. En beiden zijn normale kinderen voor de leeftijd die ze hebben. Daarbij zijn ze creatief en sociaal, en we hebben altijd onderwerpen om over te discussiëren waarbij we veel van ze leren!

  

Deze observatie maakt nog geen gelukkige kinderen van alle meisjes van negen en achttien jaar die toegang tot internet en mobiele apparaten hebben, die voldoende leren om de toekomst met vertrouwen tegemoet te kunnen zien en hem mede vorm te kunnen geven. Net zomin als ik geloof dat alle kinderen die spelletjes spelen hun huiswerk slechter maken.

  

Gezond verstand en een kritische houding zijn de belangrijkste factoren van een opvoeding. Angst en wantrouwen zouden wel eens meer kapot kunnen maken dan dat we met vertrouwen en gezond verstand kunnen winnen. Want hoe je het ook wendt of keert: er is geen weg terug, en het is aan ons allen om aan die ontwikkelingen vorm te geven. Iedereen zou daarbij betrokken moeten zijn.

 

De invloeden van technologieën op gedrag... en vice versa

Het artikel van Bart Smouts geeft de beeldcultuur en de illusie van gelijktijdigheid ('en/en' denken in plaats van 'of/of' denken) en een gevoel van onbeperktheid aan als een van de redenen van burn-outs bij jongeren. Dat is wat kort door de bocht. Het gebruik van technologieën beïnvloedt gedrag, maar gedrag beïnvloedt ook het gebruik en de technologische ontwikkelingen.

 

Als we ons zouden realiseren dat de tools waarmee we werken door mensen worden ontwikkeld, dan wordt het tijd dat we ophouden met erover te denken in termen van goed of slecht. Kinderen die vroeg met een tablet spelen, is dat goed of slecht? Jongeren die al vroeg een burn-out hebben, komt dat door al die technologische speeltjes en de mogelijkheden die daarmee samenhangen?

 

Allerlei wetenschappers houden zich intensief met die vragen bezig. Er zijn bibliotheken volgeschreven met belangrijk onderzoek naar het hoe, wat en waarom van de gevolgen van sociale media en mobiele, gps aangestuurde communicatie technologieën. Laten we ophouden met het vullen van krantenartikelen die daar een kort uittreksel van geven onder het motto: "Kleuters van vier jaar een tablet geven is kindermishandeling", want het is tendentieus en alle opinies over dat onderwerp zijn altijd ideologisch bepaald. De media vervullen een belangrijke rol als het gaat om opinievorming, en hebben daarmee ook een verantwoordelijkheid. Laten we ophouden met het internet overal de schuld van te geven.

  

Zelf doen we het altijd beter
Digitale sociale media en hun dragers zijn niet goed of slecht, het ligt aan de visie die we daarop hebben en aan het gebruik dat we ervan maken. En vervolgens aan de waarden die iedereen persoonlijk en de maatschappij als geheel daaroverheen legt. We hebben de neiging te denken dat wijzelf goed gebruik maken van de technologieën die ons omringen, en de ander dat niet of minder doet. En steevast stellen mensen zich te weinig kritische vragen.

 

Gedragsveranderingen kunnen zowel negatief als positief zijn: zonder doelen, discipline, historisch besef of kennis van zaken lijkt het erop dat iedereen alleen nog maar consument is, dat jongeren geen huiswerk meer maken, dat we allemaal afdalen naar de diepe duisternis van oppervlakkigheid. Maar met een andere bril op kan het ook leiden tot innovatie of tot een groter gevoel van verbondenheid. Daarom is het zo belangrijk om er genuanceerd over te schrijven.

 

Links

http://ow.ly/mkcNl

http://ow.ly/mkcKV

http://ow.ly/mkcID

http://ow.ly/mkbxV

Trefwoorden:
Media

Deel

met uw netwerk:
Opiniestukken van: Beer Bergman, Trainer en speaker sociale media
Laten we ophouden het internet overal de schuld van te geven - 30 juni 2013



Meer opiniestukken:

Bestel online:

Zo wordt u opiniemaker

In dit boek leert u in tien stappen denken en schrijven als een journalist

 

Alleen nog verkrijgbaar via bol.com


Schrijftip van de week

Week 50
Practice what you preach
> Meer