Kunst en Cultuur
20 augustus 2013 | door: Rabin Gangadin, schrijver, dichter en literaire criticus

Ter veiling aangeboden: het Nederlands taalgebied

De morbide taal-arrogantie van de Hollander kan er toe leiden dat het Nederlands taalgebied straks verdrongen wordt door de straattaal ten gevolge waarvan het voor een ieder nakijken geblazen is.

"Het Nederlands taalgebied wordt door zijn eigen native speakers verwaarloosd en niet onderhouden"

Als het gaat om een stukje eigen werkverschaffing, dan zijn Nederlandse opportunisten met hun vaak briljante en degelijk uitgewerkte concepten er als de kippen bij waarmee zij allochtonen de juiste taaltools denken te kunnen aanreiken waarmee ze hun weg in de Nederlandse samenleving vlot zouden kunnen vinden.

 

De reacties op dit soort aanbestedingen zijn talrijker dan het aantal asielaanvragen bij de vreemdelingendienst. Je zou aan de hand van deze draagkrachtmeting van het Nederlandse taalgebied bijna willen aannemen dat het Nederlandse taalgebied goede en solide pijlers ondergeschoven heeft gekregen. Niets is minder waar. Onlangs werd door het Haagse Onze Taal aangetoond dat allochtonen een veel groter respect en belangstelling tonen voor het Nederlands dan Nederlanders zelf. Waarom eigenlijk?

 

Syntactische verhaspelingen

Volgens Nederlandse sociolinguïsten zou het Nederlands in vergelijking met alle andere West-Europese talen het  slechtst worden gedragen door zijn eigen native speakers. Vele Nederlanders beseffen diep in hun hart dat ze hun moedertaal niet machtig zijn zoals dat eigenlijk zou moeten.

 

Ik heb het niet alleen over de spelling, maar voornamelijk over de zinsbouw zonder stijlfouten, zonder syntactische verhaspelingen etc. Niet zelden ligt in een door zelfs Nederlanders van allure geformuleerde zin, waaronder officieren van justitie, welzijnswerkers, sportleraren etc. het gezegde in de zin in een krolse omhelzing met het meewerkend voorwerp. Vraag hen niet of ze ooit gehoord hebben van de derde – en vierde naamval. Dientengevolge is het niet verwonderlijk dat hedendaagse scholieren bij het lezen van maar een paar regels uit werken van Couperus, Vestdijk of Slauerhof de straffe steekvlam aan hun vitale uiteinde beginnen te voelen.

 

Er zijn genoeg Nederlanders die hun vermeende taalbeheersing ontlenen aan het feit dat er genoeg buitenlanders zijn tegenover wie zij ten aanzien van hun eigen vermeende eclatante taalbeheersing niet in de eerste plaats als een revisor moeten optreden maar boven hen kunnen torenen als ware taalvirtuozen.

 

Klassieke vooringenomenheid

Nederlanders met voornamelijk een klassieke vooringenomenheid geloven er heilig in dat buitenlanders hun moedertaal nooit op hetzelfde genuanceerde niveau machtig kunnen zijn als zijzelf.

 

Als het bij de meeste Nederlanders uiteindelijk toch een keer gaat om het toedichten van enige taalvaardigheid aan een etnische groep in Nederland, dan gaat die gunning bij voorkeur uit naar een groep met een zo’n licht mogelijke tint. Dus hoe donkerder de groep, des te slechter de Nederlandse taalbeheersing bij die groep wordt verondersteld.

 

In tekenfilms spreken de bruinhuidige figuranten krom en kinderlijk Nederlands tengevolge waarvan kinderen reeds in hun prenatale ontwikkeling wordt ingeheid dat donkere mensen het Nederlands nooit machtig kunnen zijn.

 

Ten gevolge hiervan scoren zelfs Surinamers nog lager op deze scoreladder dan bijvoorbeeld de lichtgetinte en blanke allochtonen. Het ge-oewwij van de Surinamer doet de weegschaal helemaal doorslaan in de negatieve richting.

 

Straattaal

Een ander sluipend gevaar dat gelijk kanker uitdijt binnen het Nederlandse taalgebied is de oprukkende straattaal. In feite zou voornamelijk de patriottisch gezinde Hollander zich mogen troosten met de gedachte dat Suriname, alwaar het klassieke Algemeen Beschaafd Nederlands in overbeschaafde vorm geconserveerd is gebleven, als redder van het eroderende Nederlandse taalgebied zou kunnen worden aangemerkt.

 

Suriname werd overigens in 2005 officieel toegelaten tot de Nederlandse Taalunie. Het is buitengewoon te betreuren dat een land als Suriname dat door niemand anders dan door de Nederlandse taalunie in 2005 officieel geaccrediteerd is als Nederlands taalgebied (lees: taaldildo), met zijn schrijversaantal volstrekt niet kan profiteren van een, desnoods verkapte voorkeursbehandeling.

 

Zelfs de literaire agenten bezondigen zich aan deze negatie. Terwijl in de antieke tijde werken van Nederlandse schrijvers zoals Simon Vestdijk, Louis Couperus, Jan Wolkers, W.F. Hermans, A den Doolard, Joost Vondel etc. ongevraagd over de Surinaamse pupillen heen werden gedumpt en werden ze op mondelinge tentamens Nederlands ook nog eens bestraffend aan de tand gevoeld ten aanzien van hun kennis en inzicht betreffende de stijl, stilistische variaties, verhaalcompositie etc. van de romans’, bleven Nederlanders zich meewarig opstellen tegenover werken van auteurs van Surinaamse origine. 

 

De massale exodus van Surinamers naar Nederland ten spijt die wellicht zou kunnen doen vermoeden dat er na de verwerking van deze culturele invasie een periode zou uitbreken van culturele cohesie, wees de praktijk er echter het tegendeel van uit. De Nederlander bleek hoofdzakelijk gepreoccupeerd te zijn door de  “oewwij “ , de lexicale aberraties en de beklemtoning van de Surinamer  dan door diens creatieve –en scheppende vermogen.

 

Auteurs van islamitische komaf

Een tendens die het Nederlandse literaire landschap geheel doorklieft is de slaafse bewondering en genegenheid voor Nederlandstalige auteurs van islamitische komaf. Op zich steekt er niets oneervols in, integendeel. Maar een voorkeur/ high priority kent enkel een emotionele grondslag én geen rationele.

 

Het effect hiervan is dat Nederlandse literaire uitgeverijen, literaire tijdschriften, literaire wervers etc. reeds in eerste (hoewel dichtgeknepen) oogopslag het vermeende literaire talent in een Marokkaanse, Turkse, Iraanse, etc. scribent menen te hebben kunnen ontwaren. Een inmiddels opgestapte hoofdredactrice van het NRC Handelsblad moest op aandringen van een Nederlandse inzender bevestigend antwoorden op voornoemde onevenwichtigheid en polarisatie. 
 

In toko's naast de roti's en bara's

Surinaamse schrijvers moeten het doen met uitgaven in eigen beheer waarbij hun boeken naast de roti's, bara's, etc. in de vitrine's van Surinaamse toko's uitgestald liggen. Als het een enkele Surinaamse schrijver lukt zich een weg te banen door de jungle van literair Nederland, slaagt betrokkene er tevens in de desbetreffende uitgeverij ertoe te bewegen andere Surinaamse concurrenten buiten de deur te houden omdat die politiek incorrect zouden zijn. 

 

Een enkele Nederlander, Michiel van Kempen genaamd die zich met een louche en bedenkelijk proefschrift over de geschiedenis van de Surinaamse literatuur de graad van doctor in de Caraibische letteren op de hals wist te halen, wordt weliswaar gezien als de enige goede wegbereider en eyeopener van het Surinaamse literaire talent, maar ook die moet het hebben van de groep die hem openlijk adoreert dan van de enkele schrijvers die kritische kanttekeningen bij zijn bekwaamheid plaatsen.

 

Ten aanzien van deze laatste categorie schroomt Van Kempen niet hen op een laffe manier te ridiculiseren op zijn door de Staat gesubsidieerde privéforum: Caraibisch Uitzicht.  De verklaring t.a.v. het overweldigend succes van islamitische schrijvers in Nederland en de ontvangst van hun werk door literaire etablissementen is op enigerlei wijze een beetje duidelijk: Ze hebben in tegenstelling tot hun Surinaamse collega’s sowieso meer stof om erover te schrijven. Islamitische schrijvers weten zich te profileren, ze zijn een grote groep in Nederland die een commerciële houvast doet vermoeden. Het woord halal roept dezelfde associaties op als Wallstreet. Zij zijn beter vertegenwoordigd en georganiseerd middels hun eigen literaire platforms etc. Op hun Suikerfeest begaan zij nooit de fout om prominente Nederlandse gasten waaronder uitgevers niet uit te nodigen voor een culturele kennismaking.

 

Anderszins hebben ook de Nederlanders de hufterigheid in zich om zich veel respectvoller en ontvankelijker op te stellen tegenover taalgebruikers uit andere taalstreken dan uit Suriname. Suriname was en blijft in hun kleine hersenen gegrift als een gemeenschap die zij dienen te negeren en te miskennen. Maar de Surinamers op zich verwensen elkaar ook tot ka-olo’s, hetgeen vrij vertaald, bescheten poepgat betekent.

 

Accent

De gemiddelde Nederlander gelooft heilig in het feit dat het spreken van het Nederlands met een ander accent, nimmer correct Nederlands kan zijn óf ervoor mag worden aangezien. Om te beginnen is het gebruik van het woord accent in Nederland op zich fout en verkeerd en dus getuigend van taalonbeheerstheid!

 

Vaak is datgene wat men pleegt aan te duiden met het woord ‘accent’, géén accent maar de klank die als sterke invloed uit de moeder-, culturele- of regionale taal van de taalgebruiker in alle andere talen die betrokkene spreekt, blijft doorwerken. Deze sterke invloeden heten in het Nederlands spraakklank en geen accent.

 

Echter, als het echt gaat om de verkeerde beklemtoning dan beginnen daarin tegenwoordig zelfs Nederlandse presentatoren en nieuwslezers de eredivisie te behalen. De gewezen Tweede Kamervoorzitter, Jeltje van Nieuwenhoven, sprak niet met een Noord-Nederlands accent maar met een Noord-Nederlandse spraakklank. Het is toch idioot dat een spreker die met een bepaald accent spreekt, tegelijkertijd misschien presteert om het accent verkeerd te leggen. Wat doet die persoon dan precies, beredeneerd vanuit het woord accent?

 

Opmerkelijk is dat vele Nederlanders hun status ontlenen aan het feit dat zij zelf met Amerikaanse spraakklanken in het Nederlands kunnen rochelen. Nog opmerkelijker is dat Nederlandse onderwijsinstellingen docenten voor het vak Nederlands uitsluitend werven uit het autochtone reserveleger, terwijl allochtone leerlingen dat zelf ook wenselijk achten. Zij zijn evenals de grote groep autochtonen van oordeel dat goed Nederlands inherent is aan een goed accent en dit laatste kan het best worden verklankt vanuit het strottenhoofd van de Hollander! Een ergere vicieuze cirkel laat zich niet denken! Hetzelfde geldt voor alle andere taalgerelateerde beroepen waaronder de redactie.

 

Quizprogramma’s

Deze willekeur en pseudowetenschap is er debet aan dat het Nederlands in de internationale wereld niet meer voorstelt dan een met groeihormonen vergiftigde reus die een neerwaartse groeirichting volgt. Landen alwaar een taal wordt gesproken die verder nergens anders hoorbaar is voelen zich vereerd als vreemden proberen zich hun taal eigen te maken. Nederland denkt er kennelijk anders over en past een soort taalconservatisme toe dat tot uiting komt middels negatie, miskenning en bagatellisering. Middels quizprogramma’s als Tien voor Taal, Het Groot Dictee, Lingo, Ik hou van Holland etc. probeert men het Nederlands een boost te geven zonder dat daardoor een groeipotentie zichtbaar en voelbaar wordt. Overigens: er mag best wel meer dan eens worden benoemd dat het Nederlands evenals alle Germaanse talen uit het oude Indiase Sanskriet is afgeleid en het daarom een gepronk is met andermans veren.

Deel

met uw netwerk:


Meer opiniestukken:

Bestel online:

Zo wordt u opiniemaker

In dit boek leert u in tien stappen denken en schrijven als een journalist

 

Alleen nog verkrijgbaar via bol.com


Schrijftip van de week

Week 50
Practice what you preach
> Meer