Onderwijs
19 september 2013 | door: Jeanet Meijs, Bestuurslid BON (Beter Onderwijs Nederland)

Waar zijn de meester en de juf gebleven?

Het onderwijs in Nederland is uitgeleverd aan een groep bestuurders, managers en onderwijsvernieuwers die niet gehinderd worden door enige kennis over de dagelijkse praktijk van het onderwijs.

"Het basisonderwijs is de thuishaven van 'gogen' en 'kundigen' ten koste van de juf en meester"

Ik ben in de oorlog in Assen geboren in een middenstandsgezin met drie kinderen. Ik was het enige meisje. Mijn ouders hadden het niet breed en moesten heel hard werken om hun hoofd boven water te houden. Ik ben niet met cultuur grootgebracht en doorleren was niet vanzelfsprekend.

 

Ik ging in 1944 naar de kleuterschool en in 1946 naar de lagere school, een school met veel arbeiderskinderen en een enkel middenstandskind.

 

Oefening baart kunst

In die tijd werden schoolhoofden, evenals de notaris en de dokter maatschappelijk nog zeer gewaardeerd om hun kennis en vakmanschap. In die tijd werd je hoofd van een school als jezelf jarenlang voor de klas had gestaan. Het waren onderwijskundigen door ervaring en volleerd in de pedagogiek en de didactiek en nadien bleven ze gewoon lesgeven. Meestal hadden ze de zesde klas (nu groep acht ). Het motto dat bij al mijn leerkrachten, hoog in het vaandel stond luidde: ‘Oefening baart kunst’ Oefenen wordt nu vaak denigrerend ‘stampen’ genoemd. Gek dat mensen heel goed begrijpen dat je veel moet oefenen als je een goede sportman of een goed musicus wilt worden, maar dat veel van diezelfde mensen en ‘onderwijskundigen’ denken dat kennis vanzelf je hoofd invliegt en beklijft.  

 

Er werd alleen klassikaal les gegeven in klassen van vaak veertig leerlingen en die leerlingen beheersten bijna allemaal aan het eind van de lagere school de basisvaardigheden. Ze konden voldoende lezen, schrijven en rekenen en hadden voldoende kennis van aardrijkskunde en geschiedenis. Er heerste orde en rust in de klassen. We kregen elke dag spellingsoefeningen, elke week een dictee en het werk dat we op school maakten werd elke dag nagekeken, overhoord en beoordeeld. Zo wist de juf of meester precies van ieder kind wat het kon en waar nog wat aan geschaafd moest worden. Er waren geen remedial teachers aan de school verbonden, er waren geen meerkeuzetoetsen, geen testen en toetsen en ook nog geen Cito-toets in groep acht. De juffen en meesters deden het allemaal zelf. Kinderen waar iets mis mee was, gingen naar het speciaal onderwijs, dat toen ook nog structureel de basisvaardigheden aanleerde.

 

Universiteit voor de armen

Al onze leerkrachten van kleuterschool tot en met lagere school en het speciaal onderwijs waren ook hoog opgeleid. De kleuterjuffen waren naar de kleuterkweek geweest en wisten veel van de ontwikkeling van het jonge kind, de juffen en meesters hadden op de kweekschool (de universiteit voor de armen) gezeten en als je les gaf in het speciaal onderwijs, had je na de kweekschool allerlei  specialisaties gedaan. 

 

Ik ging als enige van de klas in 1952 naar de mulo. De rest ging naar de ambachtsschool of  de huishoudschool. Daar had je vakdocenten.

 

Alle docenten hadden een akte MO A, dan was je bevoegd voor onderbouw havo/vwo en het gehele mbo en vaak ook nog een akte MO B en dan was je eerstegraads bevoegd voor het gehele voortgezet onderwijs. Ik durf te stellen dat ik op de mulo van toen meer geleerd heb dan de leerlingen van nu op het vwo.

 

Na de mulo wilde ik nog steeds juf worden en ging ik naar de Rijkskweekschool in Groningen. Daar kon je met een mulo-diploma naar toe, maar dan moest je eerst naar de eerste leerkring die twee jaar duurde. Je kreeg daar nog Nederlands, Frans, Duits, Engels en wiskunde op een hoog niveau. Met muziek leerde je nog noten lezen. Na twee jaar was je even hoog opgeleid als leerlingen met een hbs-diploma. De hbs van toen is het atheneum van nu.

 

Bezoek van de leraar opvoedkunde

Dan ging je naar de tweede leerkring die twee jaar duurde en daar stroomden de leerlingen in met een diploma hbs ( hogere burgerschool ) of met een diploma gymnasium. In de tweede leerkring kreeg je de vakken: opvoedkunde, geschiedenis aardrijkskunde, rekenen, natuurkunde, biologie, gezondheidsleer, spreken, stellen, spraakkunst letterkunde, maatschappijleer, lezen, muziek, blokfluit, handenarbeid, lich.oefening en handwerken. Eén dag per week gingen we voor de praktijk van het les geven naar de leerschool. Onze kweekschool had een eigen leerschool en daar gaf je les o.l.v. van een ervaren leerkracht, die zeker zelf al tien jaar voor de klas stond. Je werd je wekelijks bezocht door je leraar opvoedkunde die je lessen beoordeelde. Stage lopen mocht je niet zomaar. In ieder geval moest je vlekkeloos Nederlands spreken in woord en geschrift  Er was toen geen sprake van, zoals nu, dat je vanaf de eerste dag op je stageschool mocht mee vergaderen met de leerkrachten of in je eerste jaar dat je voor de klas stond al pabostudenten  mocht begeleiden.

 

De derde leerkring

Dan was er nog de derde leerkring (één jaar). Je deed aan het eind van dat jaar examen in de vakken opvoedkunde en haar wetenschappen, Nederlandse taal en letterkunde, kennis van het Nederlandse culturele en maatschappelijk leven en didactiek. Met dit diploma was je volledig bevoegd onderwijzer en dat betekende dat je hoofd van de school kon worden. Ik was in 1961 het enige meisje van mijn klas dat ook dat laatste jaar deed. De derde leerkring was in dat jaar voor het eerst een dagopleiding. In die tijd was het gebruikelijk dat het hoofd van de school altijd een man was. De kweekschool had bijna allemaal universitair bevoegde leraren en er zaten meer jongens op dan meisjes.

 

De meesters en juffen die tot 1968 van de kweekschool kwamen waren natuurlijk niet allemaal even goed in de praktijk, maar ze beschikten allemaal wel over de nodige kennis  om hun vak uit te oefenen. In 1968 werd overigens ook de Cito Eindtoets ingevoerd.

 

Kinderen van ongeschoolde havenarbeiders

Ik ben toen het onderwijs ingegaan en heb bijna vijf jaar gewerkt op de Linnaeusschool in Amsterdam-Oost, waar toen veel kinderen zaten van ongeschoolde havenarbeiders en op die school in Amsterdam heb ik het vak echt geleerd. Niks een leven lang leren, het vak gewoon in de praktijk uitoefenen: Het spreekwoord zegt niet voor niets: Al doende leert men. 

 

In 1965 vertrok ik vanwege mijn huwelijk naar Breda en ben daar meteen weer in het onderwijs aan de slag gegaan. Ik werkte door ook toen mijn kinderen geboren werden. Dat was volstrekt ongebruikelijk in die tijd. Je hoorde zelf voor je kinderen te zorgen en er was geen enkele voorziening. Ik regelde het allemaal zelf. In Breda ben ik zesentwintig jaar in dienst geweest bij de stichting Nutsscholen. Ik heb in alle groepen gestaan. De laatste vijftien jaar van mijn loopbaan stond ik in groep acht en was ik tevens adjunct-directeur van de school. Ik heb  mijn hele loopbaan met veel plezier, liefde en inzet klassikaal les gegeven aan klassen met gemiddeld veertig leerlingen. Dat was niet erg voor de leerlingen, hoogstens voor mij omdat je iedere dag heel veel correctiewerk had. Iedere avond zat je wel een paar uur het werk van de leerlingen na te kijken. Daardoor wist je van ieder kind precies wat het kon en wat nog extra geoefend moest worden. Mijn achtste groepen hebben altijd 550 gescoord, de hoogste score die je kunt behalen met de Citotoets en er was altijd wel een leerling bij die geen enkele fout maakte in die toets. Nu komt het in het NOS journaal als een kind een foutloze toets heeft gemaakt. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit  leerlingen met ADHD in de klas heb gehad. Ja, er zaten wel eens een paar drukke kinderen tussen, maar die mochten dan naast mijn tafel zitten of ik liet ze eens een rondje over het plein rennen. Ik oefende het vak uit, met veel structuur zoals mij dat geleerd was en als de groep aan het werk was, had ik tijd om me bezig te houden met de kinderen die extra uitleg nodig hadden en met de kinderen die meer aankonden. Wij konden de excellente leerlingen ook bedienen, Sander (Dekker)! Het woord excellent is overigens het meest platgeslagen woord dat ik ken.

 

Waarom is het zo gigantisch mis gegaan in het basisonderwijs?

Ik denk dat twee processen hier aan ten grondslag liggen: in de eerste plaats de pedagogisering en in de tweede plaats de economisering van het onderwijs. Deze twee maatschappelijke krachten hebben het traditionele basisonderwijs volledig op zijn kop gezet te beginnen met de Mammoetwet in 1968. In dat jaar werd de kweekschool afgeschaft en de pedagogische academie ingevoerd.

 

De pedagogisering heeft geleid  tot een allesoverheersende aanwezigheid in het publieke debat van pedagogen, psychologen en onderwijskundigen ten koste van de gewone juf en meester. Men maakte hen wijs dat uit allerlei ‘onderzoek’  bleek dat zij het tot dan toe helemaal verkeerd hadden gedaan.

 

Op de lerarenopleidingen verschoof de inhoud van de opleiding van vakinhoud naar didactiek en pedagogiek.

 

Zelfontplooiing

Deze ontwikkeling sloot aanvankelijk naadloos aan bij de flowerpowermentaliteit van de jaren zeventig waarin elke vorm van discipline, grammatica, formules en rijtjes leren en tafels oefenen al heel snel gezien werd als niet ‘leuk ’en dat hoefde dus niet meer. De ideologie van de ‘zelfontplooiing’ werd door de flowerpower-ouders omarmd, maar toen de flowerpower was uitgebloeid en het economische klimaat in Nederland de jaren tachtig grimmiger werd hebben we geen terugkeer gezien naar de meer traditionele school.

 

Integendeel: het idee van ‘zelfontplooiing’ bleef ook na de jaren tachtig in woord en geschrift enthousiast ondersteund door het politieke establishment. De politiek bleek de onderwijsideologie van het ,nieuwe leren’ uitstekend te kunnen gebruiken voor het vergulden van een meedogenloos bezuinigingsprogramma met een vernislaag vol pedagogisch jargon, waarvan we ook bij het kabinet rutte getuige mogen zijn: het primaat van de economie is allesoverheersend geworden en de afbraak wordt verpakt in pedagogisch verantwoorde termen: ‘Minder is meer’ ’onderwijs op maat’ ‘passend onderwijs enz. zijn de overwinningskreten van de economisering.   

  

Beleidsschip

Met het floreren en uitdijen van bovenschools management is een totaal andere onderwijswerkelijkheid ontstaan. Een beleidsschip circuleert boven de schoolgebouwen. Geen enkele basisschooldirecteur, nu altijd bovenschools (vaak zelf nooit voor de klas gestaan of uit een andere beroepsgroep afkomstig) zal in staat zijn de beleidsplannen ook werkelijk uit te voeren. Inmiddels vloeien enorme geldstromen richting het management en groeien de groepen tot onwenselijke groepsaantallen.

 

Ik kreeg een noodkreet van een juf, die een combinatieklas 3/4 heeft met drieënveertig leerlingen, inclusief vijf zorgleerlingen. Ze moet onderwijs ‘op maat’ geven, ze moet handelingsplannen schrijven, het leerlingvolgsysteem bijhouden, ze heeft studiemiddagen. Ze moet vergaderen, ze moet overleggen met de juf die samen met haar in deeltijd werkt, overleggen met de zorgcoördinator, gesprekken voeren met ouders en daarnaast heeft ze nog de nodige administratie enz. Ze mailt dat ze het niet aan kan en dat het management haar volledig in de kou laat staan.

 

Kweekvijver voor leer- en gedragsproblemen

Op sommige scholen is het daardoor beleid om het werk van de kinderen niet meer na te kijken. Er wordt dan alleen nog maar getest en getoetst. Er is geen enkele structuur en daardoor ontstaan hyperactieve groepen. Die groepen  zijn een kweekvijver voor leer- en gedragsproblemen. Ieder kind wordt op die manier een potentiële zorgleerling.

 

Alles moet ‘leuk’ zijn, maar leren gaat niet vanzelf. Leren lezen en schrijven en het spreken van de Nederlandse taal kost veel gerichte inspanning, maar Nederlandse kinderen, te beginnen op de basisschool lijken steeds minder bereid of in staat om die inspanning te leveren. ‘Zinnig onderwijs’ is niet leuk. Het verwerven van relevante kennis en vaardigheden vereist gerichte aandacht, zelfdiscipline en inzet. Deze eigenschappen moeten ontwikkeld worden. In het huidige onderwijsklimaat wordt zachte dwang echter uit den boze geacht.

 

De leiding en maatschappelijke verantwoordelijkheid voor leren en vorming ligt echter bij volwassenen. Een jong kind kan geen regisseur zijn van zijn eigen leerproces. 

 

Mijn hart bloedt

De voldoening die het geeft als die kinderen in de gaten krijgen dat ze het wel kunnen is geweldig! Door die leerlingen zie ik precies wat er in het huidige onderwijs gebeurt en mijn hart bloedt. Ik wil helemaal niet terug naar de jaren vijftig, dat kan helemaal niet, maar de balans is nu volledig zoek, de balans tussen oud en nieuw. Het spreekwoord zegt niet voor niets: Beproeft alle dingen en behoudt het goede.

 

Staatssecretaris Sander Dekker heeft het basisonderwijs onder zijn hoede  en vertegenwoordigt volgens aloude, democratische traditie het volk. Het volk heeft recht op goed en degelijk onderwijs, want als we artikel 23 van de grondwet er op naslaan, dan staat daar: het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.

 

Jarenlang verzaakt

De minister, de staatssecretaris, het kabinet, de leden van de Eerste Kamer en de Tweede Kamer verzaken dus hun grondwettelijke plicht, zoals hun voorgangers, jarenlang, regering na regering hun grondwettelijke plicht hebben verzaakt:

 

Het kon allemaal wel een beetje goedkoper door onbevoegde leerkrachten voor de klas te zetten, efficiënter, als de overheid zich maar een beetje minder bemoeide met dat onderwijs. Het moest allemaal een beetje meer van ‘gelijke kansen voor iedereen’ ’een beetje minder toezicht en meer autonomie voor de schoolbesturen’, het laten ontstaan van de ‘onderwijsraden’ en nog veel meer zaken waardoor de overheid verworden is tot één grote subsidiepot gevuld met belastinggeld. Mede door die onderwijsraden is het doel van het onderwijs in Nederland veranderd van: ‘opleiden voor het leven en voor de toekomst’ veranderd in: ‘opleiden van jonge mensen tot een product voor de arbeidsmarkt’ en de leden van de regering en volksvertegenwoordigers hebben het onderwijs in Nederland uitgeleverd aan een groep bestuurders en managers die niet gehinderd worden door enige kennis over de dagelijkse praktijk van het onderwijs.

 

De kennis is uit scholen verbannen

De ‘onderwijsvernieuwers’ hebben met  toestemming van de overheid de kennis uit de scholen en opleidingsinstituten verbannen.

 

Ieder jaar weer worden er volgens het CPB zes tot tien miljard euro verkwanseld. Het is de hoogste tijd dat de overheid alle kinderen in Nederland weer gaat geven, waar ze recht op hebben namelijk: klassikaal, goed gestructureerd onderwijs door goed opgeleide  leerkrachten: Vakmanschap is Meesterschap.

Deel

met uw netwerk:
Opiniestukken van: Jeanet Meijs, Bestuurslid BON (Beter Onderwijs Nederland)
Passend onderwijs: voorspel voor de volgende parlementaire enquête? - 1 juni 2015
Waar zijn de meester en de juf gebleven? - 19 september 2013
Dé onderwijspartij bestaat niet - 7 september 2012



Meer opiniestukken:

Bestel online:

Zo wordt u opiniemaker

In dit boek leert u in tien stappen denken en schrijven als een journalist

 

Alleen nog verkrijgbaar via bol.com


Schrijftip van de week

Week 50
Practice what you preach
> Meer