Godsdienst
3 december 2013 | door: Ambrogino G. Awesta, jurist en rechtsfilosoof

Toestaan godslastering bedreigt mensenrechten en monarchie

De afschaffing van godslastering zal de fundamentele rechten in gevaar brengen, voor een conflictueuze tweespalt in de maatschappij zorgen, en het fundament van de monarchie ondermijnen.

"D66 en SP pleiten ook voor de afschaffing van monarchie"

De Senaat heeft met een krappe meerderheid het verbod op godslastering opgeheven. Het verbod dat in artikel 147 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) was opgenomen had echter niet de bescherming van God voor ogen, maar simpel gezegd de bescherming van godsdienstige gevoelens die gekrenkt konden worden door lasterende uitingen in het openbaar.

 

De afschaffing van dit artikel zorgt voor de uitbereiding van de reikwijdte van vrijheid van meningsuiting, maar niet zonder consequenties waarvan we twee in het navolgende de revue zullen laten passeren.

 

Politieke consequentie

Artikel 147 Sr werd reeds in 2007 door de toenmalige minister van Justitie als sluitstuk van de bepalingen omtrent belediging van groepen mensen vanwege hun godsdienst (die voornamelijk in artikelen 137c en 138 d Sr te vinden zijn) beschouwd en gehandhaafd. Deze twee bepalingen zijn in het licht van het Internationaal Verdrag inzake de Uitbanning van alle Vormen van Rassendiscriminatie in het leven geroepen.

 

Met de afschaffing van godslastering wordt nu echter bewust de grenzen van discriminatie op grond van godsdienst opgezocht, want deze afschaffing zal wellicht op lange termijn tot gevolg hebben dat tevens de bepalingen omtrent belediging van groepen mensen vanwege hun godsdienst worden afgeschaft.

 

Ten aanzien van de bescherming van mensen tegen discriminatie vanwege hun godsdienst in de huidige maatschappij die steeds onverdraagzamer wordt, ligt een belangrijke taak weg voor de rechterlijke macht die over de fundamentele grondrechten en principes dient te waken.

 

Fundament van de monarchie

Echter heeft deze afschaffing ook een politieke consequentie aangaande de legitimatie van de koning. Zoals we in de considerans van elke wet, inclusief het Wetboek van Strafrecht, kunnen lezen, is de wet ondertekend door de koning die zijn legitimatie niet uit het volk put, maar uit God daar er in de aanhef altijd gezegd wordt "Wij [naam van de koning] bij de gratie Gods..".

 

Het concept God is dus het legitimerende fundament van monarchie. Met de afschaffing van godslastering wordt de legitimatiebron van de koning, waarvan wij recentelijk ook de tweehonderdjarige jubileum van hebben gevierd en die ook reeds nieuwe wetten met de voorgaande zinsnede heeft ondertekend, ondermijnd.

 

Vermeldenswaardig is ook dat het verbod op belediging van de koning in artikel 111 Sr is gecodificeerd. Nu dat het concept God ondermijnd is met de voornoemde afschaffing zal niet alleen de strafrechtelijke bescherming van mensen tegen belediging, en op den duur discriminatie, vanwege hun godsdienst in gedrang komen, maar ook de belediging van de koning zal aan de orde zijn en zelfs zijn legitimatie zal in gevaar komen. Dit in het bijzonder wanneer we in oogschouw nemen dat dit initiatiefvoorstel tot afschaffing van D66 en SP afkomstig is; partijen die tevens voor de afschaffing van monarchie pleiten.

 

Bij de gratie Volks

Aangaande de legitimatie van de koning dient nog opgemerkt te worden dat men deze tijdig uit de wind van deze partijen dient te zetten door, bijv. analoog geredeneerd naar de rechterlijke macht in Duitsland, de legitimatie van de koning "bij de gratie Volks" te laten plaatsvinden of anders "bij de gratie van onze Grondwet" daar het ook een constitutionele monarchie betreft.

Trefwoorden:
Godsdienst

Deel

met uw netwerk:


Meer opiniestukken:

Bestel online:

Zo wordt u opiniemaker

In dit boek leert u in tien stappen denken en schrijven als een journalist

 

Alleen nog verkrijgbaar via bol.com


Schrijftip van de week

Week 50
Practice what you preach
> Meer