Wetenschap
13 maart 2014 | door: Ronald Jas, Adviseur en trainer wetenschapscommunicatie

Wetenschap moet de dialoog met het publiek aangaan

In discussies over gezondheid en veiligheid lijken burgers steeds minder te vertrouwen op wetenschappelijke inzichten. Klopt dat ook, of moeten wetenschappers gewoon anders communiceren met burgers?

"Om begrepen en vertrouwd te worden moet de wetenschap vechten tegen het onderbuikgevoel van de samenleving"

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) publiceerde in 2013 de uitkomsten van een onderzoek naar het vertrouwen van Nederlanders in de wetenschap. Aanleiding daarvoor waren door het ministerie van OC&W geregistreerde signalen van een teruglopend vertrouwen van het publiek in de wetenschap. Bijvoorbeeld de vele publieke emoties die ontstonden naar aanleiding van het door RIVM geïnitieerde inentingsprogramma ter voorkoming van baarmoederhalskanker. Of de publieke verwarring die ontstond na de klimaattop in Kopenhagen over de elkaar tegensprekende onderzoeksbevindingen over de oorzaken van global warming. Maar ook nog recent leidde een door het Voedingscentrum gepubliceerde rapportage over de (niet bestaande) gezondheidseffecten van zogenaamde superfoods tot een verontwaardigde Twitterexplosie. Er lijkt dus wat aan de hand met het gezag van de wetenschap.
 

Vertrouwen is nog geen accepteren
Het WRR-rapport ‘Hoeveel vertrouwen hebben Nederlanders in de wetenschap’ stelt haar opdrachtgever gerust: het lijkt nog wel mee te vallen met het lager wordende vertrouwen van het publiek in de wetenschap. Desgevraagd antwoordden ruim 1.000 respondenten uit een representatieve steekproef van Nederlanders dat zij in het algemeen vertrouwen hadden in de wetenschap, zeker ten opzichte van bijvoorbeeld entiteiten als ‘de regering’, ‘de media’ of ‘de rechtspraak’. Is het probleem daarmee dan van tafel? Bepaald niet, want de voorbeelden geven ook aan dat wel degelijk grote publieke weerstanden bestaan tegen het begrijpen of accepteren van wetenschappelijke inzichten. Het WRR-onderzoek wijst bovendien ook op een mogelijk interpretatieverschil omtrent het begrip vertrouwen. Duidt dit begrip op de betrouwbaarheid van de werkwijze van wetenschappelijke instanties en beroepsbeoefenaren, of doelt men op het vertrouwen in het oordeel van diezelfde instanties, een subtiel maar belangrijk onderscheid? En vervolgens: hoe is vertrouwen te meten, welke indicatoren zijn daarbij van belang? En al vindt men wetenschappelijke instituties doorgaans betrouwbaar, betekent dat ook dat inzichten van die instituties altijd worden geaccepteerd?

 

Beeldvorming bij ongewenste boodschappen

In een debat dat op 11 maart j.l. door het Rathenau instituut werd georganiseerd, kwam ook het vertrouwen van het publiek in de wetenschap ter sprake. Vertegenwoordigers uit onder andere onderwijs en wetenschap, bedrijfsleven en justitie debatteerden over gezonde voeding en jeugdcriminaliteit. Interessant fenomeen daarbij: ongeacht de betrouwbaarheid van de wetenschappelijke bronnen en/of onderzoeksmethode, sloeg de meter van de maatschappelijke weerstand, onrust en/of verontwaardiging hoog uit bij onderwerpen waar een afwijkende publieke verwachting over bestond. Waar de boodschap niet beantwoordt aan de heersende publieke opvattingen of aannames, is de weerstand tegen de boodschap en de boodschapper groot en daarvan wordt tegenwoordig dan ook massaal blijk gegeven via social media en andere kanalen. Dat is op zichzelf niet een nieuw fenomeen, het wordt in de psychologie ook wel aangeduid als cognitieve dissonantie. Populair gezegd: “raak niet aan ons onderbuikgevoel, want dan kom je aan ons”.

 

‘Hard straffen helpt niet’
Een duidelijk voorbeeld daarvan is het populaire beeld van de alsmaar groeiende jeugdcriminaliteit dat bij veel Nederlanders leeft. In de vakdiscussies hierover zijn rechtsgeleerden, professionals uit het gevangeniswezen, onderzoekers en pedagogen het wel redelijk met elkaar eens dat de jeugdcriminaliteit aan het krimpen is, onder andere door verbeterde opvang en een minder op enkel straf gericht beleid, dat zijn vruchten afwerpt in een vermindering van recidive. Maar de beeldvorming van de gemiddelde Nederlander wil nu eenmaal al jaren dat de jeugdcriminaliteit groeit en dat hard en onverbiddelijk straffen daartegen beter helpt dan het huidige beleid. Een misverstand dat blijkbaar moeilijk weg te werken is, want om de zoveel tijd wordt het beeld ook weer bevestigd, kennelijk niet of onvoldoende gehinderd door feiten of georganiseerde tegenspraak.

Kill the messenger

Ook de reacties op het onderzoek dat het Voedingscentrum onlangs naar buiten bracht over de zogenaamde ‘superfoods', voedingssupplementen of diëten die sterke(re) gezondheidseffecten zouden opleveren voor de gebruiker, zijn een voorbeeld van die cognitieve dissonantie. Hier werd het beeld van zeker 10% van de voedingsconsumenten, dat superfoods daadwerkelijk een gezondheidseffect hebben, door het Voedingscentrum in duidelijke bewoordingen van tafel geveegd. Dan opeens wordt een strategie om de kredietwaardigheid en geloofwaardigheid van de boodschapper en diens boodschap te attaqueren, interessanter en aanlokkelijker dan het klakkeloos aannemen van een ongewenste boodschap die niet past bij de eigen verwachtingen. Dan opeens is ook de wetenschap ‘ook maar een mening’ geworden en dan is het tijd voor Twitter om te ontploffen. Op dat moment wordt het voor de onwillige ontvanger bijvoorbeeld ook interessant om te zoeken naar een professional of een vertrouwde persoonlijke bron in zijn buurt die het wetenschappelijke inzicht relativeert of betwist. En omdat het wetenschappelijk debat per definitie altijd voor-en tegenstanders kent, vindt de onwillige consument er altijd wel eentje die zegt dat wat het Voedingscentrum erover beweert, allemaal onzin is.

Sociale media als debatverdubbelaar
Wat de afgelopen jaren zeker veranderd is, is de toegang tot het publieke debat in de media. Waar 10 jaar geleden vele redacties van kranten en websites nog selectie aan de poort pleegden, uiten talloze zowel anonieme als identificeerbare Nederlanders zich nu dagelijks op honderden internetplatforms zoals Twitter en Facebook. Veel van die platforms worden door journalisten en beleidsmakers gemonitord omdat zij daarin de polsslag van de samenleving zien. Wat we werkelijk zien is een selectief soort vox populi, namelijk de geaggregeerde menig van een selectie van Nederlanders die via social media bijdragen wil leveren aan openbare discussies en daar ook tijd voor uittrekt. Even goed is het fenomeen goed voor regelmatige opschudding in de officiële media, die er, niet onterecht, nieuws in zien.

 

Dit leidt tot soms onverwachte effecten die niet altijd even gemakkelijk te voorspellen noch te duiden zijn: trending topics op Twitter kunnen worden aangegrepen als teken van sterke betrokkenheid, maar even goed als oprispingen van korte collectieve verontwaardiging of vermaak. Een onschuldige op Facebook geplaatste uitnodiging voor een feestje kan onopgemerkt blijven, maar ook zomaar leiden tot een collectieve overname van die oproep en daarmee tot een ernstig uit de hand gelopen buurtfeest. Het doorgronden van de betekenis en de impact van de social media op het maatschappelijk debat wordt daarmee zo langzamerhand tot een serieuze zaak waar ook de wetenschap zich iets van aan zal moeten trekken.

 

De kans is bovendien groot dat de respondenten die ’s middags nog hebben aangegeven de wetenschap en haar boodschappers te vertrouwen, dezelfde zijn die ‘s avonds te vuur en te zwaard wetenschappelijke inzichten over verkeer, alcoholgebruik, gezonde voeding of milieu bestrijden. Omdat hen die onderwerpen op dat moment persoonlijk meer aangaan dan het algemene oordeel over de wetenschap dat ze in een abstracte enquête hebben ingevuld. Het zou ons allen kunnen overkomen.

 

Naar een betere relatie met het publiek
Tijdens het Rathenau-debat, het eerste uit een serie van drie, werd ook aangestuurd op mogelijke oplossingen. Wat betreft de betrouwbaarheid van het wetenschappelijk bedrijf liggen er diverse beleidsuitdagingen, zoals het voorkomen van frauduleuze praktijken op universiteiten en het scherper worden op de dreigende ‘vervuiling’ van wetenschappelijk onderzoek door de steeds nauwere samenwerkingen met het bedrijfsleven. Ook de publicatieplicht binnen de wetenschap mag kritischer worden bekeken omdat ze ook kan leiden tot het brengen van nieuws dat geen nieuws is of het publiceren van ongecontroleerde of voorbarige inzichten.

 

Aan de andere kant van de communicatielijn staat het publiek, een diffuse groep die meer petten gelijktijdig op heeft. Onder de ene pet zit de particuliere gebruiker van voedings- en genotmiddelen met eigen voorkeuren, vervuilt deze het milieu in meer of mindere mate en wil deze desondanks zo weinig mogelijk belasting betalen. Onder de andere pet zit de professional bij justitie, onderwijs, gezondheidszorg die wetenschappelijke inzichten wil kunnen gebruiken in zijn of haar werk.

 

Voor de professional moeten wetenschappelijke inzichten veel nadrukkelijker ingepast worden in diens werk. Op dat vlak is menige branche al bezig met het in kaart brengen van onderzoek of methodiek die de professional helpt. Dat ondersteunt en overtuigt niet alleen de professional, maar ook de consument in hem, die bevestiging zoekt van de wetenschappelijke waarde. Het duidelijker benutten van de maatschappelijke en toepasbare waarde van onderzoek is daarmee sowieso een aanbeveling

 

Naar de burger/consument toe kunnen overheid en wetenschap minstens proberen de schijn van bevooroordeeldheid en onzorgvuldigheid weg te nemen. Daarnaast zijn beiden verantwoordelijk voor herkenbare communicatiekanalen of -platforms die de burger met een gerust hart als veilig en betrouwbaar moet kunnen zien. Dat vergt dus ook onderlinge afstemming bij berichten waar controverse over bestaat, want lang niet altijd is de interpretatie van wetenschappelijk onderzoek eenduidig en oncontroversieel. En tot slot is het aan de overheid en de wetenschap de burger vaker dan nu het geval is, uit te leggen waarom de wetenschap niet op alle vragen een even duidelijk antwoord heeft.
 

Omgaan met complexiteit en onzekerheid
Dit is misschien nog wel een van de moeilijkste opgaven, omdat juist hier het publiek vaak afhaakt. Eenvoudig omdat ofwel de complexiteit van de vraag, of juist de complexiteit van het antwoord niet de duidelijkheid of zekerheid geeft die het publiek zoekt. Een tendens in de overheid en de politiek is ook dat burgers vragen om eenduidige, heldere, op hen van toepassing zijnde antwoorden. Hen daarin teleurstellen wordt de overheid kwalijk genomen want in een wereld waarin zo'n beetje elk technisch gadget te personaliseren is, verwacht de burger van de overheid en van de wetenschap kennelijk ook hetzelfde. Maar de wetenschap is, hoewel smart, geen smartphone met een afgrensbare serie voorgeprogrammeerde persoonlijke instellingen. De wetenschap heeft niet alleen maar pasklare antwoorden, sterker nog: het zou de wetenschap niet zijn als ze overal direct een pasklaar soundbite als antwoord op had. Alleen door het publiek juist hier te bereiken met de uitleg van die bij wetenschap horende onzekerheid en complexiteit, kan de kans op het terugvallen op het meest voor de hand liggende onderbuikgevoel worden verminderd. Het bereiken van publiek met duidelijke boodschappen is één ding, maar het uitleg geven bij onzekerheid en complexiteit is een noodzakelijk ander ding. Het duiden van de complexiteit en onzekerheid door wetenschapscommunicatie is even goed een taak van de wetenschap als het communiceren over wetenschappelijk onderzoek zelf.

 

Zoek het publiek op

Het zoeken van communicatie met de burger moet ten slotte niet alleen via de traditionele nieuwsmedia gebeuren maar ook via sociale media, als reactie op en liever nog pro-actief. Veel te veel gaan wetenschappelijke instellingen er wel vanuit dat het publiek het hen wel zal vragen als er iets niet duidelijk is: bezoekt u vooral onze website. Maar daar aanwezig zijn waar het publiek al is verzameld, verhoogt de kans op het ontmoeten van de vragensteller die de weg naar de website of de telefoon niet vindt. Dat vergt niet alleen een duidelijke boodschap, maar ook goede vertellers die kunnen boeien en die de kanalen kennen die het publiek graag kiest. Pas dan namelijk verandert de zender in een gesprekspartner van vlees en bloed. En die heeft meer kans om gehoord te worden in een gesprek, zoals we dat nu meer en meer gewend raken. Als de wetenschap op die manier werk maakt van de communicatie met het publiek, zal het publiek er daadwerkelijk meer waarde in gaan zien.

Deel

met uw netwerk:
Opiniestukken van: Ronald Jas, Adviseur en trainer wetenschapscommunicatie
VWS moet zich bezinnen op zijn voorlichtingsvisie - 12 februari 2015
Wetenschap moet de dialoog met het publiek aangaan - 13 maart 2014



Meer opiniestukken:

Bestel online:

Zo wordt u opiniemaker

In dit boek leert u in tien stappen denken en schrijven als een journalist

 

Alleen nog verkrijgbaar via bol.com


Schrijftip van de week

Week 38
"Ik vind" is niet nodig
> Meer