Emancipatie
12 januari 2012 | door: Ben Sloot, Hoogleraar Rechtswetenschappen Open Universiteit Nederland

De Commissie Gelijke Behandeling dut in

De Groningse universiteit moet benoemingen van vrouwen terugdraaien van de CGB, terwijl die de feiten niet doordenkt, het Europese recht fantasieloos interpreteert en geen gevoel van urgentie heeft.

"Het aantal vrouwelijke professoren ten opzichte van mannelijke blijft onverminderd beschamend laag."

Het lijkt een omgekeerde wereld: Een traditioneel mannenbolwerk als een universiteit probeert extra vrouwen in een toppositie te krijgen, terwijl een instituut als de Commissie Gelijke Behandeling, die onder meer in het leven is geroepen om de feitelijke ongelijkheid van vrouwen te bestrijden, dit blokkeert.

 

Eind vorig jaar verklaarde de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) het initiatief van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) om het aantal vrouwelijke hoogleraren te vergroten door het aanwenden van speciale middelen voor de benoeming van vrouwelijke hoofddocenten tot persoonsgebonden hoogleraar in strijd met de wet. De CGB stelt dat de RUG te ver is gegaan omdat mannen geen kandidaat konden zijn bij de selectie van de beoogde 17 hoogleraren. De jurisprudentie van het Europese Hof van de EU zou dat voorschrijven. Quod non!

 

De manco’s van het oordeel van de CGB zijn aanzienlijk: Een geringe doordenking van de feiten, een te beperkte en fantasieloze interpretatie van het Europese gelijke behandelingsrecht en, wat ik het meest opmerkelijke vind, het gebrek aan een gevoel van urgentie. Hieronder stip ik elk punt aan.

 

Hemeltergend langzaam

Het aantal vrouwelijke hoogleraren in Nederland is al decennialang zo gering dat we de risee zijn van de wereld. En de groei is hemeltergend langzaam. De afspraak in het akkoord van Lissabon om in 2010 ten minste tot een aandeel van 25 % vrouwelijke hoogleraren te komen werd bij lange niet gehaald.

 

Naar de oorzaken van deze ongewenste toestand is veel en degelijk wetenschappelijk onderzoek verricht. Eén van de terugkerende bevindingen is dat het ‘old boys network’ daaraan debet is. Onbetwist is dat mannen, maar opmerkelijk genoeg ook vrouwen, de prestaties en potentie van vrouwelijke wetenschappers vaak onderschatten, waardoor vrouwen met talent minder kansen hebben om hoogleraar te worden.

 

In dat licht besloot het College van Bestuur van de RUG extra geld beschikbaar te stellen voor de benoeming van een aantal vrouwelijke hoogleraren buiten de gebaande banen om, zoals jaren eerder, in 2001, de Vrije Universiteit haar met een soortgelijke actie was voorgegaan. Het betrof een eenmalige, bescheiden maatregel voor ten hoogste zeventien persoonsgebonden hoogleraarschappen waarbij de eisen aan de kandidaten in alle opzichten gelijk waren aan die van de gebruikelijke hooglerarenbenoemingen. Dat blijkt uit de zware procedure. Eerst werd hen gevraagd zelf hun leerstoel te formuleren. Het faculteitsbestuur besluit vervolgens of het dossier door kon naar een universiteitsbrede commissie. Op grond van die beoordeling volgt een mogelijke voordracht. Het College van Bestuur besluit vervolgens of tot benoeming wordt overgegaan. Bij de vraag of iemand in aanmerking komt voor een persoonsgebonden hoogleraarschap worden, voor zover mij bekend is, nooit andere mogelijke kandidaten uitgenodigd om tot een oordeel te komen over de wetenschappelijke kwaliteiten van de betreffende kandidaat. De vergelijking wordt gemaakt door een selectiecommissie op basis van ervaring en dossiers, maar uiteraard stoelt de beslissing op een impliciete vergelijking. De RUG vervulde uiteindelijk slechts twaalf van de zeventien beschikbare plaatsen omdat zij uiteraard uitsluitend excellente onderzoekers wilde benoemen.

 

Objectieve vergelijking

De CGB meent op de rem trap te moeten trappen met een beroep op de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie, die inhoudt dat vrouwen bij gelijke geschiktheid weliswaar de voorkeur kunnen krijgen boven mannen maar pas na een objectieve vergelijking. De CGB acht de omstandigheid dat er geen mannelijke kandidaten zijn opgeroepen een beslissende tekortkoming. Zo zou een expliciete vergelijking met mannelijke kandidaten niet gemaakt kunnen worden.

 

De CGB miskent hiermee echter het bijzondere karakter van de selectie van persoonsgebonden hoogleraarschappen zoals ik hiervoor uiteenzette. Zeker in het geval van persoonsgebonden benoemingen is een ‘objectieve vergelijking’ zeer goed mogelijk, en gebeurt dat ook voortdurend, zonder dat daarbij anderen gevraagd wordt te solliciteren. Een universiteit is daartoe bij uitstek geëquipeerd, in ieder geval beter dan een CGB, dunkt me.

 

In dezelfde periode dat de twaalf vrouwen werden benoemd als persoonsgebonden hoogleraar, werden vijftien mannen benoemd op niet-persoonsgebonden hoogleraarposten. Dat daarbij geen enkele vrouw was, lijkt de wrange constatering van de RUG te bevestigen dat mannen positief worden gediscrimineerd. Terecht kon het College van Bestuur daarom concluderen dat er voor mannen voldoende mogelijkheden overbleven om hoogleraar te worden.

 

Laconieke opmerking

Over de urgentie om de hardnekkige achterstand van vrouwen terug te dringen merkt de CGB vrij laconiek op, in een overweging ten overvloede, ‘Deze achterstand is niet dermate hardnekkig en groot dat het een maatregel van voorkeursbeleid rechtvaardigt die functies voor vrouwen reserveert’. De achterstand waar de CGB hier over spreekt betreft de discrepantie tussen het aantal vrouwelijke hoofddocenten en dat van vrouwelijke hoogleraren.

 

Maar waarom die beperkte referentie? Het aantal vrouwelijke hoogleraren lijkt dan misschien minder onacceptabel, maar het relatieve aantal vrouwelijke professoren ten opzichte van mannelijke blijft onverminderd beschamend laag. Waarom de CGB de toename zo positief beziet, is mij een raadsel; de Groningse universiteit dacht daar in ieder geval heel anders over.

 

Goede trouw

Vanzelfsprekend moeten de uitspraken van het Europese Hof te goeder trouw worden uitgelegd, maar die goede trouw brengt evenwel niet met zich mee dat men de ogen sluit voor (nieuwe) kennis over de werking van de mechanismen van sociale uitsluiting, i.c. de selectieprocedures voor hoogleraren.

 

Het zou de Commissie sieren als ze haar juridisch vernuft zou gebruiken om daar het nodige juridische gewicht toe te kennen. Dan zou de uitkomst een geheel andere zijn geweest. Het gevaar is nu groot dat deze uitspraak het signaal is voor universiteiten om verder maar met de armen over elkaar te blijven zitten.

Deel

met uw netwerk:
Opiniestukken van: Ben Sloot, Hoogleraar Rechtswetenschappen Open Universiteit Nederland
De Commissie Gelijke Behandeling dut in - 12 januari 2012



Meer opiniestukken:

Bestel online:

Zo wordt u opiniemaker

In dit boek leert u in tien stappen denken en schrijven als een journalist

 

Alleen nog verkrijgbaar via bol.com


Schrijftip van de week

Week 50
Practice what you preach
> Meer